Tapuit

Prikkeldraad, paaltjes, strekdammen, een houten brugleuning: vogels nemen graag bezit van wat door mensenhand is gemaakt. In het Verdronken Land van Saeftinge (Zeeuws-Vlaanderen) fladderen tapuiten van paaltje naar paaltje, hier uitrustend, daar weer opvliegend. De biotoop van schraal grasland, zanderige platen, heideachtige ruigte en verderop de begroeide duinen is voor deze zangvogel, een onderfamilie van de vliegenvangers, zeer geschikt. De tapuit (Oenanthe oenanthe) meet ongeveer veertien centimeter en heeft 's zomers een blauwgrijze rug met zwarte vleugels en een isabelkleurige buik. Onmiskenbaar is ook het zwarte masker met witte wenkbrauwstreep en in de vlucht opvallend witte stuit en staartdelen. Als geliefde nestplaats gelden konijnenholen, holten in dijken en een veilige plaats tussen stenen. De onrustige vogel wipt telkens met zijn staart. Hij vliegt laag boven de grond, zelden ver. In de Victoriaanse tijd werd de tapuit als een delicatesse beschouwd; duizenden werden in netten gevangen en geserveerd. De altijd levendige tapuit heet in sommige vogelboeken `twistziek' te zijn. Maar dat is te antropomorf gedacht. De tapuit leeft van insecten, rupsen en in het najaar van bessen. Hij heet ook duinduiker en heidehipper. Voor je het weet zijn de tapuiten over het wijde Zeeuwse land alweer uit het zicht verdwenen.

Illustratie: Rein Stuurman (Zien is kennen!)

freriks@nrc.nl