Taal komt aanwaaien

De psycholoog Michael Tomasello zet de aanval in op de theorie dat kinderen een aangeboren `grammatica-orgaan' hebben waarmee ze taal leren begrijpen. Niet het taalinstinct is aangeboren maar het sociale instinct, betoogt hij.

`AUFSTEHEN, LEO!', zegt de moeder 's morgens. ``Nein, liegen'', antwoordt het ventje net twee jaar oud. Het is een gewone communicatie zoals in zoveel gezinnen over de hele wereld plaatsvindt. Toch is er iets bijzonders met Leo uit Leipzig. Drie jaar lang hebben zijn ouders zijn taaluitingen opgenomen, en heel belangrijk: ook wat zijzelf tegen hem zeiden. Het eerste jaar (vanaf twee jaar oud) vijf dagen per week een uur, daarna om de vier weken vijf uur. ``Dat is ongekend veel. Van het eerste jaar hebben we zo'n 10 procent van alles wat Leo hoort en zegt!'', zegt Heike Behrens op haar kamer in het Centrum Europese Talen in de Groningse binnenstad.

Behrens onderzoekt taalverwerving van kinderen en sinds een paar jaar is ze hoogleraar Duitse taalkunde in Groningen. Daarvoor was ze in het Max Planck Institut für evolutionäre Anthropologie in Leipzig verantwoordelijk voor `Project Leo', samen met de daar werkende Amerikaanse taalpsycholoog Michael Tomasello. ``We hebben de moeder in dienst genomen om dit te doen. Het resultaat is een uniek corpus kinder- en oudertaal, met twee miljoen woorden het grootste ter wereld een nachtmerrie om uit te werken natuurlijk.''

Leo's taalontwikkeling moet een wapen worden in de strijd tussen twee radicaal verschillende inzichten in kindertaal. ``Veel taalkundigen veronderstellen nog altijd dat kinderen een aangeboren begrip van een universele grammatica hebben. Deze universele grammatica laat het kind efficiënt zoeken naar de grammaticale regels in zijn moedertaal'', zo legt Behrens de tegenstelling uit. Het kernidee is dat kinderen zonder aangeboren grammaticaal inzicht nooit grammaticale regels kunnen leren. Want uit alleen de taal die ze om zich heen horen kunnen ze die regels onmogelijk afleiden. Behrens: ``Wij daarentegen gaan uit van een veel geleidelijker opbouw van de grammaticale regels, die niet autonoom zijn maar geleidelijk voortkomen uit het taalgebruik en de communicatieve functie. Aan het begin van het leren van taal bestaan er geen abstracte regels. Er bestaat dus een principieel verschil van inzicht, dat we met dit soort grote taalbestanden gaan oplossen.''

Behrens laat zien hoe het taalcorpus eruit ziet: uitgetikte tekst bezaaid met codes voor woordsoorten en constructies. ``Het is nog lang niet klaar. Tot nu toe werden dit soort corpora met een frequentie van een uur per twee weken of per maand aangelegd. Maar dan mis je veel.'' Als Leo twee is zegt hij bijvoorbeeld ineens `Lesen Zeitung'. Heeft hij dan al werkelijk besef van werkwoorden en lijdende voorwerpen? Is het een imitatie van een vaste uitdrukking een los stuk taal die zijn ouders ook al 100 keer hebben gebruikt? Of heeft hij zelf die combinatie bedacht?

tischbeinstrasse

Behrens wijst een andere passage aan. Leo is al vier jaar en drie maanden en hij praat met zijn moeder over een buslijn. `Vielleicht fährt bei Tischbeinstrasse die?' ``Een interessante fout!'' zegt Behrens. Want niet alleen laat Leo het lidwoord bij Tischbeinstrasse weg, maar hij plaatst ook het woord `die' verkeerd. Waarom? Dat is de grote kwestie van dit moment in het taalverwervingsonderzoek. Want maakt Leo die fout vaker en past hij dus een (toevallig verkeerde) regel toe? Is die regel af te leiden uit de taal die Leo om zich heen hoort of is die regel een product van Leo's aangeboren grammatica-orgaan? De meervoudsvormen van Leo tussen twee en tweeënhalf jaar zijn al wel eens geanalyseerd. ``Zijn vergissingen bleken te variëren per type naamwoord, alleen de eenlettergrepige woorden en woorden als Käfer deed hij fout. Die variatie kan volgens ons nooit zijn ontstaan door een aangeboren regelmechanisme. Deze heel systematische fouten komen voort uit generalisaties op basis van de fonologie, de syllabestructuur en het grammaticale geslacht.''

Aanleiding voor het bezoek aan Groningen is het recente boek van Michael Tomasello, Constructing a Language. A Usage Based Theory of Language Acquisition (Harvard University Press, 2003). Daarin bespreekt de psycholoog (ook bekend van inventief cognitieonderzoek aan chimpansees) een reeks onderzoeken die volgens hem onvermijdelijk leiden tot afwijzing van het idee van een aangeboren grammatica en tot aanvaarding van het idee dat kinderen hun taal leren uit wat ze horen. Het is een wetenschappelijk overzichtsboek èn een pamflet tegen de universele-grammatica-aanpak. `Psycholinguïstisch bekeken is het niet zo dat een kind eerst woorden leert en ze vervolgens combineert tot zinnen via abstracte, betekenisloze grammaticale `regels'', schrijft Tomasello gedecideerd. `Integendeel, kinderen leren van wat volwassenen zeggen allerlei verschillende taalkundige structuren tegelijk, in allerlei vormen en omvang en op allerlei niveaus van abstractie. Vervolgens maken kinderen hun eigen babbeltaaltje door een aantal van die elementen bij elkaar te voegen op een manier die tegemoetkomt aan hun communicatieve intenties.'

Hiermee raakt Tomasello aan de basis van het hele gebouw van de invloedrijke `generatieve taalkunde'. Die basis is het idee van de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky dat de essentie van taal grammatica is, want met het grammaticale regelsysteem kunnen alle mogelijke taaluitingen worden gegenereerd. Alleen op basis van de gesprekken die kinderen horen, zouden zij nooit in staat zijn om die abstracte grammatica te begrijpen, aldus de beroemde stelling van de poverty of the stimulus.

africhten

In 1959 veegde Chomsky de vloer aan met de ideeën van de behavioristen die dachten dat kinderen taal leerden zoals een hond wordt afgericht: met conditionering en associatieleren. Maar hoe komt het kind van zijn eerste losse woordjes dan wèl naar een door absolute principes gestuurde grammatica? Een deel van het taalvermogen moet wel aangeboren zijn, zo redeneren Chomsky c.s., anders is de kloof tussen het kind en de volwassenen taal te groot.

Tomasello zet de aanval in op dit `evangelie van de moderne taalkunde'. Natuurlijk had het behaviorisme ongelijk, schrijft hij in Constructing a language. Conditionering en associatie zijn te armzalige mechanismen om een taal te leren. Maar dat betekent niet dat Chomsky gelijk had.

De belangrijkste pijler voor de taalverwerving is volgens Tomasello het unieke menselijke vermogen om de bedoelingen van andere mensen te begrijpen (intention reading). Dit vermogen tot `gezamenlijke aandacht' (joint attention), ontwikkelt zich volgens Tomasello vanaf de leeftijd van negen maanden. Zonder die capaciteit komt een kind niet eens op het idee dat een volwassene iets zou bedoelen met de klankenstroom die wij taal noemen.

Een treffend voorbeeld van dit mechanisme maakte Tomasello mee aan een Hongaars stationsloket. Als een Hongaar zomaar op straat tegen een Amerikaan zou praten, begrijpt die er niets van. Maar als de Amerikaan naar het station gaat om een kaartje te kopen, is er een gemeenschappelijk kader met routinematige handelingen, die de Hongaar achter het loket en de Amerikaan allebei al kennen. Tomasello: ``Dan is het zelfs mogelijk dat de bezoeker een paar Hongaarse woorden oppikt, in de gemeenschappelijke activiteit rond de spoorschema's en de prijzen.'' Aangeboren is niet het taalinstinct, maar het sociale instinct.

Baby's beschikken daarnaast over een ander belangrijk cognitief vermogen, aldus Tomasello, namelijk patroonherkenning. Dat stelt baby's in staat onderscheid te maken tussen `gelijk' en `hetzelfde', en complexe patronen te herkennen in allerlei beelden of geluiden. De eerste woorden leert een baby in de routine van alledag, waarin ouders vaak precies hetzelfde woord zeggen: `luier' bij het aankleden, enzovoorts. `Dat zal dus wel wat betekenen', denkt het kind. En zo gaat het ook met grammaticale constructies, die pikt het kind op dankzij de extra informatie uit de context net als de Amerikaan aan het Hongaarse treinloket. Want in de ogen van Tomasello is grammatica niets anders dan een manier om extra informatie aan woorden toe te voegen: niet `de man' in het algemeen, maar `de man die ik zag'. Een passieve vorm (`de hond wordt geslagen') is gewoon een manier om nadruk te leggen op wie iets overkomt. De vaste regels ontstaan vervolgens in het gebruik. Zoals de taalkundige T. Givon ooit zei: ``de grammatica van vandaag is de conversatie van gisteren''.

En dat is de tweede vergissing van Chomsky, aldus Tomasello. Die volwassenentaal is helemaal niet zo gebaseerd op absolute regels als de generatieve taalkunde het doet voorkomen. Taal bestaat niet uit een kern van regels en een gewoon lexicon van woorden. Nee, taal omvat een gestructureerde verzameling van constructies in alle mogelijke niveaus van abstractie. Alle gradaties van algemeenheid bestaan tegelijkertijd in taaluitingen: van de algemene regel dat (in het Engels) de verleden tijd gevormd wordt door `-ed' achter een werkwoord te plakken, tot zeer concrete uitdrukkingen als `Could you please' of `I dunno', die gewoon als een los item worden opgeslagen in het brein, ze ontstaan niet uit grammaticale regels.

`revolutionair'

De implicaties van deze nieuwe aanpak, usage based linguistics genaamd, zijn `revolutionair', voegt Tomasello er aan toe. `Want als taalvaardigheid gebaseerd is op losse stukken taal en ongecompliceerde generalisaties op basis van die stukken, dan is het mogelijk dat kinderen vanuit hun begrip van losse woorden een volwassen grammatica construeren.'

Mooi, wie kan er tegen zijn? In Nijmegen staat het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek. Directeur van de afdeling Taalverwerving is Wolfgang Klein. Hij blijkt onder de indruk van Tomasello's usage based linguistics. ``Een verademing vergeleken met de puur taalkundige aanpak die vaak overheerst. Het is ook geweldig hoeveel onderzoek Tomasello in zijn betoog verwerkt.'' Maar Klein is nog niet overtuigd. ``Ik ben 90 procent positief. Toch hebben Tomasello en de zijnen allerlei subtiele taalkundige fenomenen nog niet kunnen verklaren. De positie van het woordje `niet' bijvoorbeeld. Hoe leert een kind het verschil tussen `ik heb Peter niet gezien' en `ik heb niet Peter gezien'? Daar zegt Tomasello weinig over.''

Maar goed, legt Klein uit, er zijn sowieso nog maar weinig onderzoekers die uitgaan van de universele grammatica van Chomsky. ``Niemand die empirisch onderzoek doet, gelooft daar nog in. Hoe lang duurt het wel niet voor kinderen foutloos kunnen praten? Jaren. Die poverty of the stimulus valt dan dus wel mee, al die tijd horen ze van alles om zich heen. In het openbare debat wordt die universele grammatica inderdaad altijd maar weer opgevoerd, maar in de wetenschap liggen de tegenstellingen genuanceerder. Want ook al zou er een basis van de grammatica zijn aangeboren, dan nog moeten kinderen nog zo veel moedertaalspecifieke kenmerken leren, dat je bijna met dezelfde problemen zit als zonder universele grammatica.''

Is er dan echt geen chomskyaanse taalverwervingsonderzoeker meer? Jawel, zegt Klein. ``Bel maar naar Utrecht''. ``Ik? De enige?'' reageert Peter Coopmans in Utrecht. ``Kijk dan maar eens beter rond. En ik houd trouwens niet van het woord chomskyaans. Chomsky zelf ook niet. Het is: generatieve taalkunde.''

Coopmans, hoogleraar Taalverwerving, is bekend met het werk van Tomasello en zijn geestverwanten. In zijn kamer in de hoek van een trappenhuis in het labyrinthische taal- en letterenpand aan de Utrechtse Trans zet hij zijn eigen opvattingen uiteen. Hij vindt de nieuwe stroming belangrijk omdat ze de aandacht vestigt op de context van de taaluitingen, ``dat juich ik toe! De usage based linguistics gaat trouwens terug op veel oudere ideeën, hoor.''

Maar overtuigd is hij allerminst. ``Hoezo bestaat de taal voornamelijk uit losse chunks? Ik zie het niet, ik zie vooral taalkundige principes en variaties. Vaak begrijp ik ook niet wat Tomasello bedoelt met die mengeling van concrete chunks en algemene cognitieve regels. En àls ik het begrijp zie ik toch gewoon een formele regel die prima past in het model van de universele grammatica.'' Coopmans acht het onmogelijk dat een kind de grammaticaregels uit het taalgebruik om zich heen op kan vissen, hoe geavanceerd zijn algemene patroonherkenning ook is. ``Als ik thuis tegen mijn tweejarige dochtertje zeg: `geen toetje vanavond' als ze haar bord niet leegeet, waarom weet ze dan onmiddellijk wat ik bedoel? Dat kan alleen maar als ze bagage heeft meegekregen waardoor ze efficiënt kan leren. Die universele grammatica maakt haar gevoelig voor grammaticale cues die ze anders nooit zou oppikken. Volgens Tomasello gaat dat via sociale cues, dat is interessant, maar daarmee kun je nooit de systematische fouten verklaren die kinderen maken. Waarom zegt een Engelse peuter consequent `me open the door' en een Nederlands kind `ikke opendoen'? Het gaat om de accusatief `me' tegenover de nominatief `ikke'? Kennelijk weet het kind dat in het Engels het standaard voornaamwoord `me' is, en in het Nederlands `ik' geloof me: dat is zo. En hoe komt Tomasello er bij dat de enige functie van taal communicatie is? Wat doe jij als jij een cryptogram oplost? Is dat soms ook communicatie?''

vergissingen

En zo knetteren de argumenten over en weer, en duiken steeds moeilijker te beoordelen voorbeelden op. Want wie het boek van Tomasello openslaat, leest een ander betoog over de consequente vergissingen van kinderen (overgeneralisaties als `zij koopten' of `giechel me niet!', zie kader). `Volgens de aanhangers van de universele grammatica zouden kinderen helemaal geen fouten moeten maken', hoont de Amerikaan daar. En dus moeten ze de vergissingen verklaren uit `uitvoeringsproblemen'. En waarom beginnen de overgeneralisaties dan pas na het derde jaar, gaat hij verder. Zijn tegenstanders kunnen dat niet verklaren, maar zijn eigen model wel. Want pas dan zijn de kinderen überhaupt in staat tot generalisaties, iets wat ze volgens de generativisten al in het prille begin zouden zijn. ``Hm'', bromt Coopmans. ``Kennelijk gaat het dus wel om het leren van regels.''

Twee verschillende uitgangspunten staan hier diametraal tegenover elkaar. ``Taal is niet apart ontstaan'', legt Behrens daarom nog maar eens uit, ``taal vloeit voort uit de evolutie van de algemene cognitie (de patroonherkenning) en de sociale cognitie (intention reading) van de mens. Dit idee is de laatste tien jaar verder ontwikkeld, pas toen zijn nieuwe inzichten uit de grammatica, leerpsychologie, neurologie tot een coherent geheel samengebracht. Die complexiteit en de omvang is ook wel de zwakte van de theorie, misschien. Het idee van de aangeboren grammatica lijkt glashelder, het gaat alleen om de taalstructuur, de rest is details. Maar die precisie wordt bereikt door het verklaringsgebied klein te houden. In de usage based linguistics wordt de taal als geheel verklaard: structuur èn betekenis èn intentie van een taaluiting. Dat leidt op het eerste gezicht tot een slordig geheel. Maar uiteindelijk is het een coherenter model.''

    • Hendrik Spiering