Rotterdam is terecht een trotse stad

In navolging van J.L. Heldring (NRC Handelsblad, 9 september) viel het mij, toen ik mij eind 1996 in Rotterdam vestigde, op dat de Rotterdammer ontzettend trots is op zijn stad. Deze trots en liefde, en tegelijkertijd de afkeer van alles dat naar Amsterdam riekt, valt grotendeels te verklaren door het bombardement van 1940. De Rotterdammers werden door de keuze van de Duitsers bevestigd in hun tot op heden bestaande (voor)oordeel over Amsterdam: wij dragen de lasten en zij hebben de lusten. Onbedoeld gevolg van het bombardement was overigens dat het saamhorigheidsgevoel van de inwoners werd versterkt.

Daarnaast merkte ik al snel dat de Rotterdammer wars is van gewichtigheid en hoogdravendheid en als hij dit bespeurt, niet te beroerd is je hier fijntjes op te wijzen. Buitenstaanders hebben, zo heb ik in ieder geval zelf ondervonden, enige tijd nodig om aan deze directe manier van communiceren te wennen, maar ontlenen hier na verloop van tijd ook een bepaalde kracht en trots aan: ,,Wij dralen niet en zeggen waar het op staat.''

De recente politieke ontwikkelingen in Rotterdam zijn, in het licht van genoemde eigenschappen, dus eigenlijk niet zo verwonderlijk. Pim Fortuyn woonde immers in de stad, benoemde al jaren slepende problemen en had het hart op de tong. Hij appelleerde aan de trots en het al jaren verwaarloosde saamhorigheidsgevoel van de Rotterdammers in een klimaat dat sterk werd gekenmerkt door de aanslagen van 11september.