Niet iedereen hoeft een intellectueel te zijn, maar een dozijn per generatie is toch niet te veel gevraagd?

In Nederland worden veel openbare meningen geuit, maar het verkondigen van de ene mening naast of na de andere, is nog geen publiek debat. Een echte intellectueel moet wikken en wegen. Daarvoor kan hij het beste gebruikmaken van l'esprit de finesse, een redeneervorm die wij in het openbaar debat nauwelijks meer gebruiken.

Bestaat in ons land nog wel een intellectuele traditie met een intellectueel publiek? Van oudsher hebben intellectuelen de functie dat zij nieuwe ideeën aandragen en mensen op andere gedachten brengen. In onze `kennismaatschappij' bestaat hier ook veel behoefte aan, maar het is onduidelijk wat intellectuelen en wetenschapsbeoefenaren aan het publieke debat bijdragen. Wie zijn eigenlijk onze intellectuelen? En wat is hun rol in een groeiend anti-intellectueel klimaat dat wordt gevoed door een kennissamenleving waarin kennis uitsluitend nog wordt gewaardeerd indien het een bijdrage levert aan de economische productie?

Intellectuelen zijn personen die zich bemoeien met zaken waar ze niets mee te maken hebben, beroepshalve niet, maar ook niet naar opleiding, vakgebied of maatschappelijke positie. Bijna zou ik hier geschreven hebben: ze bemoeien zich met zaken waar ze geen verstand van hebben, maar dat zou onjuist zijn. Intellectuelen, nu eens journalisten, schrijvers of schrijfsters, dan weer filosofen, wetenschapsbeoefenaren of spraakmakende Kamerleden, geven hun mening over een onderwerp dat hun interesseert. Ze doen dit echter op een doordachte, kritische en zelfstandige manier, zó dat hun mening ons blijft boeien en er iets van blijft hangen. Als intellectuelen ergens geen verstand van hebben en niettemin hun mening of oordeel willen geven, komt de kennis van zaken in de loop van het denkproces. Zij kunnen helder denken en schrijven, vatten ingewikkelde zaken soms treffend samen, maken vergelijkingen met andere verschijnselen of met situaties in andere landen. Kortom, ze geven op kritisch-creatieve wijze iets weer dat de moeite van het lezen waard is, zelfs als we het er niet mee eens zijn en op bijna elke pagina worden geprikkeld tot tegenspraak. Hun favoriete vorm is het essay, niet het wetenschappelijke betoog. Zelfs als ze de plank misslaan (dat gebeurt natuurlijk ook wel), doen ze het zo, dat je er nog wat van leert.

Susan Sontag is het prototype van een dergelijke intellectueel, evenals de iets jongere M. Ignatieff, die zowel schreef over de Russische geschiedenis, het strafstelsel in de 19de eeuw, een biografie van I. Berlin (zelf al een voorbeeld als intellectueel), als over vrijheidsopvattingen in de 17de eeuw en recentelijk over politiek geweld op de Balkan, mensenrechten en de oorlog in Irak: allemaal zaken waar hij geen verstand van had, toen hij eraan begon, maar die uitmonden in voortreffelijke analyses en uitdagende standpunten.

In Nederland zijn er gemakkelijk voorbeelden te geven: Karel van het Reve was een typische intellectueel, Andreas Burnier met haar onafhankelijke strijdlust, de journalisten Hofland en Heldring, schrijver-columnist Bas Heijne, socioloog Jacques van Doorn en schrijfster Nelleke Noordervliet.

Waarom hebben we dit soort mensen als Ignatieff, Burnier of Van het Reve nodig? Ze houden een traditie in stand die een samenleving open en scherp houdt en tot vernieuwing aanzet. Door de rol van intellectuelen te koppelen aan een kwaliteitsmerk van bepaalde activiteiten, ontstaat een grote openheid voor wie deze rol op zich nemen. Je herkent ze doordat ze het doen, of het zijn. Een intellectuele traditie kent eenzelfde soort openheid voor de analyse van zoveel mogelijk dimensies of zoveel mogelijk verschillende facetten van een verschijnsel, een situatie of probleem. Er is een gestage toevoer van nieuwe ideeën en standpunten. Jacques Barzun, Amerikaans historicus en zelf een prachtvoorbeeld van een public intellectual, sprak in zijn The House of Intellect (1959) van een intellectuele traditie als er in de maatschappij ,,een gearrangeerde tendens bestaat om helderheid, logisch denken, ordelijkheid aan te brengen in de behandeling van allerhande zaken''. Die tendens betreft dan zowel de staat van het taalgebruik en andere communicatiemiddelen, alsook het beschikbaar stellen van geld en andere middelen voor denken en leren, en voor een goed schoolsysteem.

Er is dan ook aandacht voor bepaalde manieren van voelen en zich gedragen. Het gaat om het cultiveren van een intellectuele habitus, bijvoorbeeld je niet uitleven in ad hominem argumenten. Veel columnisten vergeten dat. Een aantal van hen roert zich in het debat met een groot aantal half-intellectuelen: personen die zich bemoeien met zaken waar ze niets mee te maken hebben, maar die dat doen op een manier die niet voortkomt uit eigen nadenken en persoonlijke studie. Ze geven hun mening en vormen hun oordeel op basis van het oordeel van anderen, wat anderen graag willen horen, of op basis van van buiten geleerde clichés en schreeuwerige dogma's. In de invloed van half-intellectuelen ligt de kiem voor een anti-intellectueel klimaat.

Het belang van een intellectuele traditie is dat het, bij het bezien van veelsoortige onderwerpen, steeds weer nieuwe dimensies aanbrengt, waardoor aan de complexiteit van verschijnselen recht wordt gedaan. Barzun heeft daar zelf gedurende zijn hele leven vele voorbeelden van laten zien. Naast zijn historische bijdragen schreef hij over de kwaliteit van het onderwijs, over William James, Swift, Thoreau en andere klassieke schrijvers, over taal, over muziek en over de esthetiek van crimi's. Alles even helder als nuchter van geest.

Anti-intellectualisme ontstaat in een samenleving, wanneer de georganiseerde neiging om denken en leren, helderheid en zelfstandige oordeelsvorming te bevorderen, afneemt en plaatsmaakt voor platte reducties, éénzijdige zienswijzen, ongenuanceerde en vaak dogmatische generalisaties en groepsoordelen. Vaak gaat dit samen met een geringere bereidheid, als samenleving, om middelen beschikbaar te stellen voor denken, leren en scholing. De onderwijsuitgaven voor zowel het basis- en voortgezet onderwijs, als voor het hoger en wetenschappelijk onderwijs lopen dan terug, zoals in Nederland in de periode tussen 1980 en 2000 daadwerkelijk is geschied. Hier stuiten we op een vreemde paradox. Een kennissamenleving, die kennis nog uitsluitend waardeert, indien ze een bijdrage levert aan de economische productie, staat in het teken van anti-intellectualisme. De veelzijdigheid, de complexiteit van kennisvorming, de multifunctionaliteit van kennisverwerving worden dan gereduceerd tot een eendimensionale benadering van verschijnselen. Overigens bedreigt dit reductionisme ook de wetenschapsbeoefening.

Er bestaat in een intellectuele traditie niet alleen een grote diversiteit van rollen, maar ook een positief gewaardeerde diversiteit van denkstijlen en redeneervormen die verwant is aan de diversiteit van wetenschapsstijlen of genres. Ik zou hier graag het door Pascal gemaakte onderscheid naar voren brengen tussen l'esprit de géométrie en l'esprit de finesse, de methode van het fijne onderscheid, de gedetailleerde observatie en analyse en van het strak volgehouden betoog. Dit onderscheid is zelf verwant aan het in de oudere wijsbegeerte gemaakte onderscheid tussen a) de demonstratio, met als schoolvoorbeeld het wiskundige bewijs; b) de dialectica, de methode van vraag en antwoord, van argument en tegenargument en c) de retorica, de subtiele verleiding van een publiek met woorden en andere middelen. De dialectica komt het meest overeen met l'esprit de finesse, omdat bij beide naar waarheid wordt gezocht, hetgeen bij de retorica niet steeds het geval is.

In wetenschap en maatschappij zijn de eerste en de derde redeneervorm dominant geworden. De eerste vanwege de grote betekenis van de wetenschappelijke revolutie en de wetenschappelijke voorkeur voor het onomstotelijke bewijs, het harde ontegensprekelijke oordeel, vaak cijfermatig onderbouwd. De derde vanwege de overwegende rol van massa's media en massa's toekijkers en toehoorders. Maar l'esprit de finesse, het dialogisch redeneren met de veronderstelling dat dit tot verbeterde inzichten leidt, dreigt steeds meer terrein te verliezen. Het toepassen van l'esprit de géométrie op zaken waar l'esprit de finesse thuishoort, brengt enorme reducties met zich mee, zoals in bijna elke bureaucratische organisatie te zien is.

Juist een intellectuele traditie koestert de dialectica, die steeds aanwezig is geweest in de geschiedenis van de wetenschappen, ook in die van de natuurwetenschappen. Het gaat dan steeds weer om het fijnzinnig onderkennen, om uitpluizen tot in de finesses, het onderscheiden van feitelijke en normatieve oordelen, ook al zal dat nooit een absoluut onderscheid kunnen zijn, kortom om gewogen oordelen die via argument en tegenargument tot stand komen. Een intellectueel wikt en weegt.

Er zijn genoeg voorbeelden waar deze redeneertrant nodig is en die zich niet lenen voor een sluitend wetenschappelijk betoog: mag Miloševic een advocaat opgedrongen krijgen? Zijn parallellen te trekken tussen de banaliteit van het kwaad van Eichmann, dat Hannah Arendt beschreef, en de excessen door gehoorzaamheid in Guantánamo Bay of in de Abu Ghraib-gevangenis? Wat betekent vriendschap over alle grenzen heen, zoals die bijvoorbeeld naar voren komt in de brieven van I. Berlin? Is er een relatie tussen culturele vernieuwing, ICT en stedelijke welvaart? Hoe werkt metaforisch taalgebruik in het bedrijfsleven en bij de overheid?

Het publieke debat zoals dit zich in Nederland afspeelt, is naar mijn mening arm aan een dergelijke argumentatie-zin. Er worden heel veel openbare meningen geuit, maar er is in veel mindere mate sprake van een uitwisseling van standpunten, van naar elkaars redeneringen luisteren en dan zeggen ,,daar ben ik het wel, daar niet mee eens''. (Dit gebeurt overigens wel vaak bij ingezonden brieven in deze krant). Het verkondigen van de ene mening naast of na de andere, is nog geen publiek debat. Wat een debat uitmaakt is de methode van vraag en antwoord met de mogelijkheid dat een discussiant zegt: ,,Oké, je hebt me overtuigd, je hebt gelijk.'' Het eigen ongelijk erkennen is tegenwoordig welhaast onbestaanbaar, gehecht als we zijn aan ons eigen alreeds ingenomen standvastige oordeel. In de politiek is het zelfs een doodzonde. Waarom eigenlijk?

Het uitzuiveren van de goede en de slechte argumenten is bij uitstek het werk van publieke intellectuelen en van een intellectuele traditie, waarbij ik constateer dat deze traditie vermindert ten gunste van een op uiterlijk scoren gerichte retoriek, van de moderne media, van meer en meer columnisten, en in toenemende mate ook van wetenschapsbeoefenaren, als zij zich in de openbare arena begeven.

Natuurlijk is de verhouding tussen dialectica en retorica niet eenduidig en niet eenvoudig te duiden, maar het onderscheid blijft de moeite van het handhaven waard. Tussen de sofist die zijn gelijk haalt en krijgt en Socrates die op zoek blijft naar het goede argument, de goede definitie, blijft een wereld van verschil.

Welke gevaren zijn er aan te wijzen voor een zojuist omschreven intellectuele traditie? Ik noem er drie, maar soms zie ik er in een sombere academische bui wel meer dan veertien. Als eerste zie ik als gevaar de versnelling. We jagen leerlingen en studenten door hun studie en zijn dan verbaasd dat ze steeds minder nuances kunnen aanbrengen in hun kennis of dat ze niet meer op zoek gaan naar de finesses (al helemaal niet in taalgebruik). Spits en Metro worden hun bronnen voor oordeelsvorming, evenals vlugge, maar vaak vluchtige informatie, spits weggeplukt van internet. Een- à tweejarige universitaire basisopleidingen zijn schadelijk voor het intellectuele gehalte van onze universiteiten.

Als tweede noem ik de versmalling, die zich voordoet bij de goede tot zeer goede studenten en jonggepromoveerden. Zij leggen zich, om zich een goede concurrentiepositie te verschaffen, toe op onderzoek naar één onderwerp of een klein vakonderdeel. Ze kunnen of willen zich niet breder ontwikkelen, omdat dit, denken ze, schade toebrengt aan hun internationale curriculum vitae. Onderwijs geven ervaren ze als last. Dat is allemaal goed voor topwetenschap, maar minder goed voor het onderhouden van een intellectuele traditie. Natuurlijk hoeft niet iedereen een publieke intellectueel te worden, maar een dozijn per generatie is toch niet te veel gevraagd? Intellectuelen vormen een tegenwicht tegen sciëntisme, het geloof dat slechts de wetenschap ons kan redden.

Ten derde noem ik de berekende beeldvorming, die ontstaat door de grote aantrekkingskracht van de media en de politiek, twee machtige bolwerken in de moderne samenleving. ,,Hoe heb ik het gedaan?'', ,,Hoe kwam ik over?'', ,,Hoe is mijn uitstraling?'', ,,Hoe kan ik mijn netwerk uitbreiden?'' Deze en andere vragen zijn niet de zorgen van een intellectueel. En daarom maak ik mij zorgen om de toenemende calculerende beeldvorming, vooral aanwezig in het politieke domein, maar de rest van de samenleving kan zich er maar moeilijk aan onttrekken. Het zich bij voorbaat richten op het oordeel van anderen is de houding van de anti-intellectueel. Intellectuelen schrijven over van alles en nog wat, en steeds heeft de kracht van hun onafhankelijke argumenten hen overeind gehouden.

Hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Deze tekst is een verkorte versie van een redevoering, gehouden op de jaarvergadering van De Academische Boekengids.