`Mijn vader gaat een Marokkaan vermoorden!'

`Het begon met een vechtpartij. Ik loop met mijn kinderen op straat en zo'n Marokkaans gastje staat een beetje stoer te doen en verspert de weg. Ik zeg: `Hé vriend, mag ik er even langs?' Zegt hij: `Oprotten'. Nou kom ik zelf van het Mercatorplein en dat is geen Buitenveldert. Ik ben gewend op een bepaalde manier te communiceren. Je vraagt het één keer en dan vind je jezelf al superbeleefd. En dat ik in mijn eigen stad voor deze jongen zou omlopen, nee schat, dat zat er voor hem niet in. Dus ik sla die gozer op z'n bek.

Ik heb vijftien jaar gekickbokst en ik laat niet snel los. Mijn zoon is meteen hulp gaan halen voor die Marokkaan. Hij rende het dichtstbijzijnde café in en riep `Mijn vader gaat een Marokkaan vermoorden!' Einde van het liedje was dat ze me van die jongen hebben afgetrokken.

Dat voorval heeft me aan het denken gezet. Want dat kan natuurlijk niet, zo'n vechtpartij en dat met je kinderen er bij. Mijn vrouw kwam terug van een paar dagen Antwerpen en riep kwaad: `Ik kan ook nooit een weekend weg.' Ik begreep ook wel dat de grens was bereikt. Ik had al de pest aan de Marokkaantjes die met hun brommertjes de boel terroriseerden bij mij in de buurt. Ik had al een behoorlijk adrenalineniveau opgebouwd jegens die Rif-ratjes en ik dacht: moet ik nou een nog grotere hekel aan ze krijgen? Er zijn er zoveel en ze gaan niet meer weg. Ik dacht: ik stap er in. Ik ga er zelf wat aan doen. Dus ik bel de Stichting Jeugdwerk Amsterdam en vraag of ze voor mij een blik van die gastjes willen opentrekken. Want ik wil eens met ze praten.

Ik ben een reclamejongen. Ik zorg er voor dat jij een zakje tijgernoten in je winkelwagentje gooit. Of dat jij dat ene model Volkswagen aanschaft in plaats van een leuke Fiat of weet ik veel wat. Ik bewerkstellig een gedragsverandering bij mensen. Jij weet niet waarom jij in de supermarkt bij die tijgernoten blijft staan, maar dat komt, denk ik, toch door een filmpje van mij.

Met diezelfde instelling ben ik op die Marokkaanse jongens afgestapt. Als je gedrag wil veranderen, moet je beginnen met een doelgroepanalyse. Dus ik in gesprek met die jongens. Hilarisch. Eerst vertrouwden ze het niet. Je zag ze denken: wat wil die gozer? Hij is geen welzijnswerker en hij heeft net zo'n kort lontje als wij. Maar ik praat plat Amsterdams, heb hier en daar wat blauwe inkt op mijn lijf en kom uit dezelfde buurt als zij, dus dat schept een band.

Het viel me op dat ze voortdurend anderen de schuld gaven van hun eigen mislukkingen. Ik ging daar meteen tegen in. Dan zei ik: `Jij kruipt in de slachtofferrol, maar wat heb je zelf eigenlijk gedaan? Ik heb een eigen bedrijf, maar geef mij één reden waarom ik jou zou aannemen? Je lult geen normaal Nederlands, dus je kunt de telefoon niet opnemen. Je kunt geen klok kijken, want je komt nooit op tijd. Je hebt het vmbo niet afgemaakt. En je bent bad company, want je zit altijd te klagen.'

Nou, dan was het effe stil hoor. Want dat soort duidelijke taal verstaan ze heel goed. Dus ik zeg tegen die gastjes: `Of je past je aan, of je neemt vanavond nog het vliegtuig naar Casablanca, om kwart over zeven om precies te zijn. Dat kun je nog makkelijk halen. Want zelfs als je in Mongolië gaat wonen, waar jij misschien best wel op je plaats bent, moet je je aanpassen. Als iedereen daar om drie uur 's nachts opstaat om te gaan werken, doe jij dat ook. En anders: get the hell out of there!' Toen moesten ze wel lachen, hoor.

Zo ben ik dus begonnen met Mo. Mo is mijn initiatief om Marokkaanse jongeren zelfrespect bij te brengen, zodat ze ook anderen gaan respecteren. Mo is een afkorting van Mohammed, zo heten de meeste van die jongens. Je hoort die naam overal en altijd. Prima merknaam. Bekt lekker.

We begonnen met het maken van een etnoglossy. Marokkaanse jongens en ook heel veel meisjes – want die hadden inmiddels via de Marokkaanse grapevine ook van mij gehoord – hebben met lui uit de design- en reclamewereld een magazine gemaakt. Met artikelen die hen aanspreken. Een verhaal over geld bijvoorbeeld, want veel Marokkaanse jongeren hebben geldproblemen omdat ze de hele dag mobiel lopen te bellen. Of over sport, want ze weten vaak de weg niet naar een sportvereniging. Er stond een interview in met Nordin ben Salah, tweevoudig wereldkampioen kickboksen, met wie die jongens allemaal weglopen. Hij vertelt over de discipline die er nodig is om zoiets te bereiken. Want dat is het probleem met die jongens. Ze hebben geen discipline, geen structuur in hun bestaan. De enige structuur is de islam. Maar daar hebben ze niets aan in deze maatschappij.

Ik weet wat het is om op te groeien in een kansarme buurt. Mijn moeder komt uit een gezin met negen kinderen. Na de oorlog was er niets te eten. Ze ging mee met het circus. Ze zal een jaar of vijftien zijn geweest. Omdat ze lenig was en atletisch gebouwd, trad ze op als slangenmens. In het circus ontmoette ze mijn vader, een Napolitaanse zigeuner die met zijn broers een trapezenummer deed. Het was een explosieve relatie en het ging niet zo heel lang goed tussen die twee.

Ik ben opgegroeid bij mijn tante. Die voedde mij op, zo goed en zo kwaad als het ging. Eerst woonden we in de Kinkerstraat, later op het Mercatorplein. Dat huis was groter. Hadden we drie kamers in plaats van twee. In de zomer reisde ik naar mijn moeder en dan woonde ik bij haar in de caravan. Ik draaide mee in het circus, prachtig vond ik dat. Ik hielp met het voederen van de kamelen en het schoonmaken van de olifantenhokken. Keek toe als de tijgers te eten kregen. De geur van de piste vergeet ik nooit meer.

Maar als de school weer begon, moest ik terug naar Amsterdam. Ik was net zo goed als die Marokkaantjes een buurtschoffie. Fietsen stelen en vechten op straat is me niet vreemd. Maar ik had een ongelofelijke fantasie en kon heel goed tekenen. Ik ben niet opgevoed om van kunst te houden, dat heb ik zelf moeten ontwikkelen. Ik kwam pas laat op het idee dat als ik nou eens een avondje niet met de jongens op stap ging, ik aan mijn tekeningen kon werken.

Ik ben begonnen als glazenwasser. In de zomer was dat een leuk beroep, maar in de winter stierf ik het af met dat koude water. Een vriend van me, wiens broer in de reclame zat, tipte me dat dat bureau mensen nodig had die goed konden tekenen. Dus ik naar dat reclamebureau. Het was er warm, ik kreeg koffie en er liepen leuke meisjes rond. Het leek me een prima beroep.

Ik begon als werktekenaar en langzamerhand kwam ik steeds verder. Nu ben ik mijn eigen baas. Kijk, als je wat wil, moet je niet zeiken. Je moet je er op storten, je moet er voor gaan. Dat probeer ik op die gastjes over te brengen. Zeur niet, maar lees eens een boek. Heb je talent voor dansen, ga dansen! Kun je acteren, doe er wat mee! Maar dat durven ze niet, want ze zitten gevangen in die groepscultuur. Daar is geen ruimte voor het individu, geen ruimte voor talentontwikkeling. Het enige dat telt is dat je het nieuwste model mobiele telefoon hebt.

`Vele vogels vliegen samen, maar de adelaar vliegt alleen.' Mooi hè? Dat is een Marokkaans spreekwoord. Dat wilde ik gebruiken om ze eens aan het denken te zetten over die groepscultuur. Dus hebben we samen posters gemaakt met mooie Marokkaanse spreekwoorden en die zijn we met z'n allen in de stad gaan plakken. `Respecteer en je wordt gerespecteerd.' `Kennis is als een eindeloze zee.' `Koop een wekker.' Nee, die laatste is niet Marokkaans, maar Amsterdams.

Kijk, als ik een commercial ga maken voor, zeg, een auto, richt ik me op de usp's van zo'n wagen, de unique selling propositions. Daarmee ga ik jou verleiden tot de aanschaf van die wagen. Op dezelfde manier ben ik gaan kijken naar de unique selling propositions van Marokkanen in Europa, merknaam Mo. Toen kwam ik er achter dat er ook Marokkanen hebben meegevochten in de strijd tegen de nazi's tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bingo! We hadden die ellende gehad met dat voetballen met kransen tijdens de dodenherdenking en opeens had ik de oplossing in handen.

Ik heb toen een klein geschiedenisboekje gemaakt over de Marokkaanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat boekje heb ik uitgedeeld in coffeeshops en andere hang-outs. Ik zei: `Jullie noemen vier mei een jodenherdenking, maar het is een dodenherdenking. Lees dit maar eens, dan val je van je stoel. Joden, christenen en moslims hebben samen gevochten voor de bevrijding van Europa.' Eerst geloofden ze me niet. Maar ze konden er niet om heen. En dus hebben dit jaar Marokkaanse jongeren tijdens de dodenherdenking de namen voorgelezen van gesneuvelde Marokkanen. Maar je moet wel uitkijken met die dingen, want voor je het weet hebben de Marokkanen Europa bevrijd.

Nu ben ik dus bezig met dat voetbaltoernooi. Ik ben in mijn vrije tijd trainer bij voetbalclub AFC en iedereen weet dat daar jongens zitten met namen als Rubinstein. Vanuit het idee dat sport verbroedert leek het me top om een voetbaltoernooi te organiseren tussen joden en Marokkanen. Laat ze elkaar maar afmaken, maar dan wel op een sportieve manier. Het toernooi heet Amsterdam All Stars. In het logo zitten de davidster en de ster uit de Marokkaanse vlag. De KNVB levert de scheidsrechters en iedereen is enthousiast. Na afloop gaan we met z'n allen eten. Kosjer en hallal.

Of ik niet bang ben dat het op matten uitdraait? Angst is er altijd. Maar wat moet je dan? Je kunt niet stil blijven zitten. Ik geloof dat als je elkaar recht in de ogen kijkt en zegt: ik ben David, ik ben Moestafa, dat er dan een begin is.

Wethouder Aboutaleb heeft nu een plan om probleemjongeren te laten begeleiden door een personal coach. Dan denk ik: hallo! Waar gaan wij nou naar toe? Dus hoe vervelender je bent, hoe meer aandacht je krijgt. Denk je nou echt dat dat helpt? We moeten juist een beloning geven aan de jongens die een wekker hebben gekocht. En niet aan de klootzakken die mijn 71-jarige moeder op straat voor hoer uitschelden. Dat soort jongens, die hebben hun mond vol over eer, respect en mannelijkheid. Nou, ik ben van Napolitaanse afkomst, dus ik weet van alles over eer, respect en mannelijkheid. En ik vind het helemaal niet mannelijk om vrouwen lastig te vallen. Doe normaal, man! Steek je hand niet in het bikinibroekje van mijn dertienjarige dochter als ze een leuke middag wil hebben in het Miranda-bad. Wat lul je nou over eer en respect? Zolang er in de Blijf van mijn lijf-huizen voornamelijk moslima's zitten, heb ik die kerels nog wel het een en ander te vertellen over respect.

Een paar weken terug las ik in de krant dat drie Marokkaanse jongens en een Turkse jongen een 69-jarige vrouw hadden doodgeschopt omdat ze haar tas niet wilde loslaten toen ze haar probeerden te beroven. Dat bericht laat me niet los. Ik laat dat niet over mijn kant gaan. Ik heb dus iets bedacht. Ik ga ze uitdagen voor een free fight. Ik heb genoeg vrienden in de free fight-wereld die zo'n gevecht voor me willen organiseren. Op 10 november is de uitspraak op de Parnassusweg. Ik zal er zijn, op 10 november, want ik accepteer niet dat ze er met een strafje van een paar maanden van af komen. Ik daag ze uit. Dan mogen ze mij doodschoppen. En ik ga voor goud, dat kan ik je ook vertellen. Want je moet van goeden huizen komen voor ik ga liggen.'