Mijn abces en ik

Een medicijnenstudente doet onder pseudoniem verslag van haar stage in het ziekenhuis. Vandaag is de co-assistente zelf patiënt.

Een abces heb je niet van de een op de andere dag. Niet zoals een hondje, dat je uit het asiel mee naar huis neemt. Sowieso `neem' je geen abces. Het is eigenlijk meer als een ongewenste zwangerschap: onverwacht, ongevraagd ontstaat er een bult. Eerst negeer je hem, maar met het groeien van de bult groeit ook je wanhoop: hoe kom ik hier vanaf? En vooral: zonder dat iemand het merkt?

Zo begon mijn abces ook als een onschuldig bultje in de lies. Gaat vanzelf weer weg, hield ik mezelf voor, terwijl hij gestaag groeide. Gelukkig speelde Luc het spel goed mee: ,,Hé, wat is dat? Muggenbult ofzo? Rare plek.'' Ik knikte schijnheilig. Waarom slapende honden wakker maken? Een abces in je lies leek me zelfmoord voor een goed seksleven. Het gaat écht wel weer weg, overtuigde ik mezelf.

Vier dagen later denk ik dat niet meer. Ook Luc is nu niet meer te foppen. Geschrokken staart hij naar de gloeiende bult. ,,Je móét naar de dokter, Anne'', zegt hij beslist. ,,Dit ziet er echt niet gezond uit.''

Maar zover ben ik nog lang niet. Ik weet veel te goed hoe we op de eerste hulp abcessen te lijf gingen: opensnijden en met een lepel in het rond wroeten om pus te verwijderen. Helaas kun je abcessen slecht verdoven. Vaak moesten we het slachtoffer met drie personen in bedwang houden. En dan te bedenken dat de eerste hulp bevolkt is door medestudenten.

Ik ril bij het idee en mijn besluit staat vast. Na een moeizaam gesprek met Luc krijg ik een ultimatum van zes dagen om dit zelf op te lossen. En dat is het startsein voor het geheime avontuur `mijn abces en ik'. Samen schrijven we onszelf illegaal antibiotica voor. En nemen dat in als de zaalarts niet kijkt. We smokkelen verbandmiddelen uit de opslagkamer. Drie keer per dag neem ik mijn temperatuur op in de medicijnkamer (abceskoorts?). En op de wc in het ziekenhuis probeer ik dagelijks om hem leeg te duwen (zonder succes).

Maar het avontuur begint grimmig te worden. Zitten lukt alleen nog met mijn benen wijd, en ik ben bang dat mijn gedrag in het ziekenhuis gaat opvallen. Daarnaast loopt mijn ultimatum morgen af. Kortom, tijd voor het laatste redmiddel. Ubi pus, ibi evacua (als er pus is, haal het eruit!) heb ik op college geleerd. En dat kan ik, als aankomend tropenarts, best zelf.

Luc is nog een obstakel, maar gelukkig zit hij nietsvermoedend tv te kijken. Stil verzamel ik mijn benodigdheden (zakmes, aansteker, alcohol, keukenrol) en sluit me op in de badkamer. Mes in de vlam, afkoelen, en alcohol erover. Ik aarzel even en spreek mezelf streng toe. ,,Minstens één centimeter diep, Anne. Zachte heelmeesters...'' Dan haal ik diep adem, ,,Ubi pus'' mompel ik dapper en steek het mes in mijn lies. Van schrik en pijn gil ik, en mijn beeld wordt wazig.

In de kamer naast me hoor ik gerommel en even later dreunt Luc met zijn volle gewicht de badkamerdeur open. Ik val in de hoek tussen wc en muur. Hij trekt me overeind en begint een tirade. ,,Je bent gek, Anne, stapelgek! Kijk nou naar jezelf.'' Trillend sta ik, zonder ondergoed, in de kamer. Een geelrode smurrie loopt langs mijn been naar beneden. Zou het toch waar zijn, vraag ik me plotseling af, dat dokters de slechtste patiënten zijn?

De beschreven gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden, de namen zijn gefingeerd.

    • Anne Hermans