Maïs en pompoen tussen leistenen muren

Een discjockey, een verpleegster. Het nieuwe `Museum of the American Indian' laat de indianen van nu zien. `Wij zijn de architecten van ons eigen overleven.'

Als `locatie, locatie en locatie' de belangrijkste criteria in onroerend goed zijn, dan hebben Amerika's indianen eindelijk hun plek heroverd. Op het laatste en mooiste vrije stuk land aan de Mall in Washington gaat dinsdag het `Smithsonian National Museum of the American Indian' open. Een overwinning voor de krachten van zon, grond en geduld.

,,De bezoekers zullen na het beleven van dit museum ervan doordrongen zijn dat Indianen geen geschiedenis zijn'', zei directeur Richard West, zelf een Cheyenne- en een Arapaho-indiaan, deze week tijdens een rondleiding. ,,We zijn er nog en we leveren een belangrijke bijdrage aan de Amerikaanse kunst en cultuur''.

Het museum is met die mengelmoes van trots en vastbeslotenheid bedacht en ontworpen. Het is maar drie verdiepingen hoog en omgeven door waterpartijen en tuinen met struiken en gewassen waar de eerste Amerikanen een speciale band mee hebben, zoals maïs, bonen, pompoen en geneeskrachtige kruiden. De golvende, met ruwe leisteen uit Minnesota beklede muren willen het museum het aanzien geven van een rotspartij die door eeuwen contact met wind en water is gevormd. Er kost moeite een rechte lijn in het museum te vinden. Volgens de indiaanse architecten zou dat ook niet passen bij de traditie.

Het gebouw heeft vrij uitzicht op het beroemdste grasveld van de Verenigde Staten én het Capitool, waar de macht wordt gedeeld met de president. Hier ontbreekt ieder symbool van macht, maar de stammen en volkeren die bij toerbuurt laten zien wat hun belangrijkste tradities en voorwerpen zijn, hopen dat vier miljoen bezoekers per jaar iets zullen ontdekken van de rijkdom van hun wereld.

In ieder geval zetten de `native Americans' zich zelf op de kaart op een andere manier dan het naburige Museum of Natural History, dat tot op de dag van vandaag een verstofte indianen-hoek heeft in de afdeling antropologie. Het nieuwe geld gaat daar naar high tech opstellingen over zoogdieren en de oceanen. Bij de wet uit 1989 die het nieuwe Museum of the American Indian instelde, werd het natuurhistorische museum ook opgedragen de geraamtes van 17.000 indianen die er bewaard werden terug te sturen als stammen daar om vroegen.

Het nieuwe museum heeft ruim 200 miljoen dollar gekost, waarvan 119 miljoen is bijgedragen door de overheid. Uit particuliere bron is 100 miljoen geworven, waar ook bijzondere tentoonstellingen en het openingsfestival van volgende week uit worden betaald. Grote filantropische stichtingen droegen bij, maar drie stammen uit New York en Connecticut, die met de exploitatie van casino's rijk werden, betaalden ieder ook 10 miljoen dollar.

De eerste tentoonstellingen heten `Our Peoples', `Our Lives' en `Our Universes'. In de eerste van de drie zijn, in de woorden van curator Emil Her Many Horses ,,zo veel mogelijk volken vertegenwoordigd. Dit museum geeft onderdak aan alle `native Americans' van het hele westelijk halfrond, dus ook uit Canada en Midden- en Zuid-Amerika''. Op de vraag hoe de keuze per stam of volk was gemaakt, zei hij met vriendelijke, zachte stem: ,,Dit is wat zij wilden laten zien''.

In het hele museum is moeite gedaan indianen van nu te laten zien, met foto's, video en korte levensbeschrijvingen. Dennis White Shield is een Lakota indiaan uit Porcupine, South Dakota, die op Harvard heeft gestudeerd en nu disk jockey is op een indiaans radiostation. Cecelia Fire Thunder is verpleegster en strijder voor gelijke gezondheidsrechten op het Pine Ridge reservaat in de noordelijke staat.

,,Wij zijn niet zomaar overlevenden'', staat ergens op een van de golvende museumwanden geschreven. ,,Wij zijn de architecten van ons eigen overleven. Wij dragen onze oude filosofie mee in een steeds veranderende moderne wereld.'' Wie die boodschap op zich heeft laten inwerken kan in het Mitsitam (dat betekent `Laten Wij Eten!') Café lekker lunchen met vers en echt indiaans eten uit vijf windstreken.

Het museum is gratis maar alleen toegankelijk met een tijdgebonden toegangsbiljet, verkrijgbaar via americanindian.is.edu of 1-866.400.6624.

    • Marc Chavannes