Hongarije's nieuwe rijken missen oude rijken

Met geld smijten kunnen de nieuwe rijken van Hongarije wel, maar de verfijnde levensstijl van de oude rijken afkijken niet, merkt Jaap Scholten. En een van deze nieuwe rijken wordt binnenkort de premier.

Postcommunistisch Hongarije heeft een decennium achter zich met gigantische expansiemogelijkheden; een tijd waarin taxichauffeurs onroerendgoedmagnaten konden worden, circusclowns staatssecretarissen, fabrieksarbeiders fabrikanten, scharrelaars in computeronderdelen captains of industry en boksers en pianospelers multimiljonairs. In Hongarije – waar lange tijd gold dat status werd bepaald door kennis en niet door bezit – staat de gemiddelde burger ambivalent tegenover de nieuwe rijken. Ze worden als lucky gangsters beschouwd.

,,De rijken van nu hebben hun wortels in het lage socialistische kader, het waren geen topfunctionarissen, ze waren zesderangs, maar met goede connecties'', zegt hoogleraar geschiedenis András Gerö. ,,De communisten hebben al het bezit geconfisqueerd en deze mensen hebben dat in handen gekregen.''

De Hongaarse krant Maygar Hirlap publiceerde afgelopen jaar een speciale bijlage – glimmend zwart omslag en gouden chocoladeletters – met daarin de `De 100 rijkste Hongaren'. De toon van de bijlage is mierzoet; tachtig procent van de top-100 heeft vrijwillig aan de publicatie meegewerkt. De meesten van de honderd staan met een fotootje afgebeeld. Er wordt weleens gezegd dat mooie mensen grotere kans op succes hebben – dat wordt hier niet bevestigd. Opvallend is het hoge aantal `investeerders' in de top-100, terwijl Hongarije tot vijftien jaar geleden slechts oogluikend privé-bezit toestond.

EX-POPSTER DE RIJKSTE

Nummer 1 in de top-100 staat Gabor Várszegi, oud-bassist van popband Gemini, met 46 miljard forint (ongeveer 184 miljoen euro). Hij vertrok in de jaren `70 naar Californië, kwam terug en zette in 1984 Fotex op, een één-uur-fotoservice, dat een vliegend succes werd. Na een reeks gelukkige overnames kocht hij drie jaar geleden voetbalclub Ferencváros. Sinds de fans afgelopen jaar antisemitische slogans scandeerden, wil Várszegi, die joods is, van de club af.

,,Várszegi heeft zijn rijkdom voor het belangrijkste deel aan inventiviteit en hard werken te danken'', zegt een telg van een oude Hongaarse familie. ,,Het merendeel van de honderd rijksten kan dat niet zeggen en heeft simpelweg de staat bestolen. Hoewel ik erbij moet zeggen dat ik er in de top-100 in ieder geval nóg drie weet die op eerlijke wijze hun geld hebben verdiend.''

Een van die drie is Peter Zwack, die met het geheime familierecept van het drankje Unicum (een alcoholisch hoestdrankje dat een wonderwerking schijnt te hebben bij katers, maar dat sommige mensen ook vrijwillig drinken) is teruggekomen naar het Hongarije en het oude Zwack drankimperium weer is op gaan bouwen. Met succes. Zwack's recenste project was om in Boedapest een gentlemen's club op te richten, zoals er vroeger velen waren: National Casino voor de aristocratie, Country Casino voor de landadel en Leopoldstadt Casino voor de bourgeois upperclass. Zwack had hiertoe het imposante Ybl-paleis in de Károlyi Mihály ut, tegenover café Central, voorbestemd. Hij liet het state-of-the-art inrichten met de atmosfeer van een Engelse club; rood velours, aparte sigarenkamer, te huren humidoors. Voor drie miljoen forint (12.000 euro) kon je `goldcard member' worden. Het sloeg niet aan. Nu wordt het Ybl-paleis een openbaar `gastronomisch complex' met gesponsorde afdelingen en honderd soorten bier.

AANSTAAND PREMIER De opmerkelijkste op de lijst van 100 rijkste Hongaren, is nr. 50, de in 1961 geboren Ferenc Gyurcsány. Tot voor kort was hij minister van Sport- en Jeugdzaken, aan het eind van de maand zal hij de nieuwe premier van Hongarije worden. Gyurcsány, een van de investeerders, wordt door de Maygar Hirlap ingeschaald op een vermogen van 3,5 miljard forint, ongeveer 14 miljoen euro. Na een lerarenopleiding is deze voormalige leider van de communistische jeugdbeweging investeringsbedrijf Altus Rt. begonnen. In de eerste golf van privatiseringen begin jaren negentig kocht hij staatsbedrijven op, die hij na enige tijd doorverkocht. Met de verkoop van autobandenproducent Béta Roll Hengergumizó Rt. begonnen in 1994 de zaken goed te lopen. Daarna investeerde Gyurcsány in aluminium- en staalbedrijven. Met zijn derde huwelijk in 1996 verwierf hij zich een schoonmoeder, Piroska Apró, die het kabinet van de toenmalige, socialistische premier Horn runde. In 2002 werd hij premier Medgyessy's strategisch adviseur om spoedig met een ministerschap beloond te worden. Toekomstig premier Gyurcsány wordt, vanwege zijn liberale kijk op economisch gebied gekoppeld aan zorg voor de minderbedeelden, in het buitenland vergeleken met Tony Blair. De socialisten hopen met hem kans te maken de verkiezingen van 2006 te winnen. Ondanks het wantrouwen dat de gemiddelde Hongaar ten opzichte van rijke stinkerds koestert, heeft Gyurcsány het theoretische voordeel dat het voor hem minder noodzakelijk is een graai in de staatskas te doen.

DURE GOLFCLUB

Voor het clubhuis van de Pannonia Golf & Country Club – een oude paardenstal van de Habsburgers – liggen vrouwen in miniscule bikini's op de witte ligbanken bij het zwemvijvertje verveeld te wachten tot hun mannen achttien holes hebben gelopen. Ondanks de serene omgeving van de golfclub, waar een zachte bries door de acacia's gaat – en zelfs de grootste gorilla zich wel een beetje laat intimideren door het naijleffect van Rules of St. Andrews (de sjieke Schotse golfclub) – is er het onbestemde gevoel dat je weleens op de bodem van het Balatonmeer zou kunnen eindigen als je een van deze hardbodies uitnodigt voor een piña colada. De Hongaarse rijke heeft een ietwat militantere uitstraling dan zijn gezellige Hollandse equivalent in lamswollen trui.

Hongarije ligt tussen het stabiele, democratische, in slaap gedommelde Westen en het Byzantijnse, door enkele sterke mannen geregeerde Oosten in. Opvallend is de verbetenheid waarmee de happy few vanachter het stuur van de glimmende (zwarte of donkerblauwe) Mercedessen, AUDI's en BMW's de wereld inkijkt; niet de ontspannen zelfverzekerdheid die de vermogende klasse in Nederland en de rest van West Europa aankleeft, eerder het argwanende van een drugskoerier die ieder ogenblik door de knieën kan worden geschoten.

,,Het zijn allemaal kleine Chodorkovski's'', zegt András Gerö, hoogleraar geschiedenis aan de Eötvös Loránd universiteit, verwijzend naar de Russische oligarch Chodorkovski, ex-directeur van Yukos die nu in de gevangenis zit op verdenking van zwendel en verduistering. ,,Deze mensen kunnen zó hun positie verliezen. Wij kennen niet de lange termijn stabiliteit die de Nederlandse maatschappij kent. Deze nieuwe elite kan zichzelf niet veilig voelen. Nu vormen zij de elite, maar hoe zal het zijn met hun zonen? Met henzelf? Het is een hele labiele positie. Nu zijn ze boven, maar ineens kunnen ze weer onder zitten. Dat weten ze.''

Ondanks het falen van Zwack's gentlemen's club is te zien dat de rijken nu pogingen doen om een eigen sociaal leven te vormen en een sterker fundament in de maatschappij te verwerven. Ze zijn zich aan het wortelen. De nummer 2 op de lijst, Sándor Demján, financierde de nationale voetbalcompetitie en heeft nu de Prima Primissima prijs in het leven geroepen voor Hongaarse kunstenaars. De prijs bestaat uit een beeld van het legendarische Hongaarse racepaard Kincsem (het beste racepaard ooit, winnaar van de Engelse derby in 1876 en alle 54 races die zij reed ongeslagen, haar skelet staat opgesteld in het museum van landbouw) en 50.000 euro. Verder bouwt hij op een oude Sovjet raketlanceerbasis bij zijn geboortedorp de grootste filmstudio ter wereld. Demján zegt dat het leeuwendeel van zijn nalatenschap naar de Hongaarse cultuur en naar weeskinderen zal gaan.

OUDE ROLMODELLEN

Gewoonlijk kunnen nieuwe rijken een beetje bij de minder nieuwe (en meestal ook minder rijke) rijken afkijken hoe dat nu allemaal moet nu ze rijk zijn. In Hongarije gaat dat niet doordat álle rijken nieuw zijn. Buiten helden uit Hollywood en luidruchtige, buitenlandse voorbeelden lijkt men terug te grijpen naar het eigen pre-communistische verleden om rolmodellen te vinden.

Waarschijnlijk is geen land in Europa zolang feodaal gebleven als Hongarije. In 1914 was eenderde van het gehele land nog in handen van een klein groepje grootgrondbezitters. De Esterházy's bezaten meer dan 300.000 hectaren, 700 dorpen en 24 paleizen. Pál Esterházy had in 1943 in z'n eentje nog altijd meer dan 110.000 hectaren bos- en akkerland. De Hongaarse magnaten waren kosmopolitisch, eerder te vinden in Parijs of op Ascot dan in Boedapest. Engelse kleermakers kwamen eens per jaar naar de dubbelmonarchie om hen te kleden, de kinderen werden door buitenlandse gouvernantes opgevoed.

Waar de toenmalige opkomende bourgeois zich interesseerde voor zoiets banaals als geld, lag de voorliefde van de Hongaarse aristocraat bij het runnen van zijn landgoed. De jacht, het fokken van paarden en honden en het onvermijdelijke bijsturen van personeel vereisten de aandacht. Verder werd er hartstochtelijk gegokt, geschermd en geduelleerd. Zoveel dat Kálmán Mikszáth honderd jaar geleden schreef: ,,Een parlementslid is eenvoudig te herkennen; hij is in de weer met een duel, of wel voor zichzelf ofwel voor een vriend.''

De Hongaarse nouveau riche laat zich door de magnaten inspireren. Hun favoriete restaurant in het 12de district is dan ook `Magnaskert' (Magnatentuin). Vooralsnog is de nieuwe klasse wat onbeholpen in het navolgen: veel verder dan met geld smijten, en rococco-paleizen vol gips en glimmend marmer bouwen komt men niet. Esprit, fantasie en verfijning zijn ver te zoeken. ,,Het zijn boeren. Ze hebben smaak noch stijl, ze apen na wat zij aristocratisch achten; paarden fokken, golfen, jagen – uitgedost als soldaten in camouflagepakken'', zegt Gabor Egressy, een gesoigneerde huisarts, die 20 procent van de top 100 rijksten tot zijn clièntele mag rekenen. ,,Ze proberen het allemaal verwoed. Ze komen in een morning coat naar het operabal. Ze verzamelen als zeloten Chinees porcelein, middeleeuwse munten, barokke schilderijen, maar het meest van alles verzamelen ze snelle auto's, dikke horloges en Oekraïnse poezen. En als ze in het buitenland zijn laten ze Hongaarse hoeren invliegen bang als ze zijn dat ze drie woorden Frans moeten spreken.''

De Oostenrijkse schrijver Otto Friedländer schreef in 1977: ,,De ware Hongaar is een gentleman of een boer, niets anders. Hij is misschien wel de laatste gentleman van de wereld.''

Work in progress.

    • Jaap Scholten