Het nieuwe fascisme

Het terrorisme werkt als een katalysator die in onze democratische maatschappij allerlei grondslagdebatten weet te ontketenen: over de juridische en feitelijke status van de zogenaamde multiculturele samenleving, het strafrecht, het oorlogsrecht, herwaardering van de inlichtingendiensten, de positie van de Grondwet, het racisme en ten slotte de rechtsstaat als zodanig. We leven in een turbulent en desalniettemin boeiend tijdperk. Drie jaar na 11 september betreedt Nederland langzamerhand het strijdtoneel van het terrorisme. Zou deze strijd van de rechtsstaat een terreurstaat maken?

De Duitse advocate Britta Böhler waarschuwt dat de Nederlandse rechtsstaat in gevaar is. Deze waarschuwing werd in deze krant door middel van een paginagroot onkritisch, eigenlijk instemmend recensie-artikel geuit. Daarmee schijnt de overheersende juridische ideologie van deze krant naar buiten te treden. Deze ideologie, die overigens geenszins liberaal kan worden genoemd, lijkt de berichtgeving, debatten en interviews over andere rechtswetenschappelijke opvattingen aangaande het strafrecht te willen weren.

Zo werd in deze krant een indrukwekkende en buitengewoon grondige studie over het Wetboek van Strafvordering doodgezwegen. Daarin lanceerden de rechtswetenschappers onder andere voorstellen over de positie van de verdachte en het slachtoffer in het strafproces. Het onderzoek heette `Onderzoeksproject Strafvordering 2001'. Inmiddels zijn er onder leiding van de hoogleraren M.S. Groenhuijsen en G. Knigge vier dikke rapporten gepubliceerd. Had men de resultaten van dit grondslagonderzoek bestudeerd en bediscussieerd, dan kan men begrijpen op welke manier Böhlers bezorgdheid ideologisch is verankerd. Want zij ziet elke heroverweging van de positie van de verdachte in het strafprocesrecht als een aanval op de rechtsstaat. De ideologie die in naam van de mensheid de rechtsstaat conserveert en simplificeert, noem ik gemakshalve het Links Juridisch Activisme (LJA).

Het Amerikaanse LJA is voortgekomen uit de emancipatiestrijd voor de civil rights. Daarentegen was het Nederlandse LJA een neveneffect van de Tweede Wereldoorlog en de jaren zestig. Als respons op het nazi-totalitarisme begon men de staat als vijand van de mensheid te zien, die juridisch en niet langer politiek of militair moest worden bestreden. Daarom ziet Böhler in de staat principieel een groot gevaar. Groter dan de mens zelf, en groter dan het gevaar van een (massa)terrorist? Het antwoord van Böhler is bevestigend. Haar wereldbeeld is een voortzetting van de klassieke linkse traditie, die de opheffing van de staat en daarmee de burgerlijke samenleving als doel ziet. Hoe bereik je dat? De totale juridisering van de staat zal leiden tot de depolitisering ervan. Een gedepolitiseerde staat is dan geen staat meer. In deze ideale wereld zullen de rechters, advocaten, ambtenaren – en niet de gekozen organen – wetgever en conflictbeslechter zijn. Over het lot van deze apolitieke rechtsstaat is Böhler diep bezorgd. Het klassieke links verdeelde de mensen in het proletariaat (het goede) en de rest. Böhler verdeelt de mensen in `de verdachte' (het beschermwaardige) en de rest. De centrale doctrine van het LJA op het gebied van het strafrecht luidt: de onveranderlijke rechtspositie van de verdachte markeert de rechtsstaat, de menselijkheid en de beschaving. Daarmee worden de rechtsbescherming en de mensenrechten teruggebracht tot de bescherming van de verdachte tegen de staat.

Gaan LJA'ers dan strijden voor deze idealen, om de burgers ervoor te winnen? Nee. Daarvoor zijn ze te wantrouwig jegens het burgerlijke verstand. Daarom kiezen ze voor het recht als de strijdarena. Böhlers samenleving wordt geregeerd door rechtersrecht: het beginsel van het primaat van recht over de politiek. Dit is geen liberale politieke samenleving. Daarin zijn het niet de burgers, maar de rechters die als wetgever de soevereiniteit claimen. Dit is momenteel het geval in Iran, waar de afgelopen jaren de rechters en niet de burgers de wetten vaststelden. Ook een totalitair rechtersrecht zal in naam van de mensheid haar burgers onderdrukken. In zijn magnifieke oratie schreef Jos de Beus over het primaat van de politiek: ,,In de meeste gevallen werd politiek in de voorbije jaren negentig de knecht van twee meesters: de markt en de rechtspraak. De termen zijn even lelijk als de tendensen: economisering en juridisering.'' Inderdaad ligt in de democratie het primaat bij politiek, dus bij de burgers, en niet bij het recht. Toch heerst hier ook een strikte scheiding tussen recht, macht en kennis. Het recht, via de rechten van de mens, beoogt de politiek niet te beheersen. Het recht bewaakt slechts de uiterste grenzen van politiek zoals die ooit door de burgers zijn gesteld.

Er zijn naast de verdachte nog ministens twee andere beschermwaardige belangen in het strafrecht: (1) Het slachtoffer als een nieuwe strafrechtelijke figuur: de burger als slachtoffer van de medemens. De rechten van de slachtoffers behoren dan ook tot het domein van de mensenrechten. (2) De stabiliteit en veiligheid van de samenleving als de grondvoorwaarde voor een cultuur van de mensenrechten is misschien het meest belangwekkende domein van de rechtsbescherming.

Het massaterrorisme in de vorm van de politieke islam is het nieuwe fascisme waarop het antiterrorismerecht – een rechtsdomein tussen het oorlogsrecht en het strafrecht – van toepassing is. Böhlers clichématige kortzichtigheid belemmert haar om de destructieve en destabiliserende effecten van het nieuwe fascisme te begrijpen. De rechtsstaat is er niet in de eerste plaats voor de verdachte. Zij is bedoeld voor het handhaven van de democratische politieke ordening. De verdachte, evenals het slachtoffer, of de samenleving, is een onderdeel van de belangenafweging die de politiek en daarna het recht moeten maken.

Het LJA ziet het recht – haar definitieve bestemming en behuizing – als een onveranderlijk fenomeen dat in een permanente oorlog dient te verkeren met de politiek en met haar domme burgers. Daarom verzet zij zich tegen elke vernieuwing van het strafrecht. Ten slotte, wanneer een staat haar burgers niet kan beschermen, verliest zij de noodzakelijke legitimatie om haar recht te doen gelden. Het strafrecht blijft onderhevig aan een onontkoombare spanning tussen verdachte, slachtoffer en samenleving. De hedendaagse burger is bekommerd om de medemens en niet om de staat. De ideale wereld van Böhler is te tiranniek en onmenselijk.