Energiecentrales blijken vervuilender dan berekend

Uit de vermindering van de vervuiling tijdens de uitval van een groot aantal elektriciteitscentrales in het noordoosten van de Verenigde Staten en het zuidoosten van Canada (in augustus 2003) blijkt dat centrales veel meer vervuilen dan theoretische berekeningen lieten zien. Tot nu toe waren er alleen berekeningen op basis van jarenlange gemiddelde waarden, en op basis van modellen (Geophysical Research Letters, 15 juli). Dat maakt ook de al decennia durende discussie over het (statistische) aantal doden per jaar in de VS als gevolg van door kolencentrales veroorzaakte ademhalingsproblemen weer relevant. Men spreekt nu nog van 30.000 doden per jaar.

Ongeveer 24 uur na het uitvallen van de centrales zijn met een daartoe speciaal uitgerust vliegtuig metingen verricht. De gemeten waarden zijn juist daarom zo interessant omdat dezelfde metingen toevallig ook een jaar eerder werden uitgevoerd, op dezelfde plaats en onder dezelfde weersomstandigheden. Bij de analyse is gecorrigeerd voor de, vanwege het uitvallen van de stroom verminderde uitstoot door andere bronnen dan de elektriciteitscentrales.

Uit de metingen bleek dat (dus al 24 uur na het uitvallen van de centrales) de concentratie SO2 in de atmosfeer met meer dan 90% was teruggelopen, waar de theoretische modellen een bijdrage van 69% aan de SO2-vervuiling voorspelden. Voor O3 (ozon) was de praktijk-vermindering ongeveer 50%. Ook het aantal fijne deeltjes (mede verantwoordelijk voor de longproblemen) was sterk (ca. 70%) teruggelopen. De lucht werd daardoor zoveel helderder dat het zicht ruim 40 km verder reikte dan een jaar eerder. De `theoretische' bijdrage van centrales aan de fijne deeltjes in de lucht lag extreem veel lager dan de praktijkmeting liet zien: 8%.