Economische groei zonder Pokon

Het kabinet wil de structuur van de economie versterken. En dat gebeurt door te bezuinigen.

De miljoenennota 2005 die op prinsjesdag wordt gepresenteerd, bevat een grondige uiteenzetting van de strategie van Balkenende-II om het groeivermogen van de economie te versterken. Na vijf magere jaren moet er weer uitzicht komen op grazige Hollandse weides. Dat sappige groen komt niet tevoorschijn door eens flink met kunstmest te strooien, maar door de kwaliteit van de grond en het gras te verbeteren. Groei zonder Pokon – dat is de kern van het kabinetsbeleid om de Nederlandse economie de komende jaren gezond te maken.

Als deze strategie aanslaat, is het een opmerkelijke prestatie, want op het eerste gezicht volgt het kabinet een beleid van keihard remmen. Er wordt in 2005 voor het derde achtereenvolgende jaar bezuinigd om de tekorten bij de publieke financiën te beteugelen en binnen de grenzen van de Europese regels voor begrotingstekorten te blijven. De koopkracht over de hele linie staat onder druk. Onzekerheid over de uitwerking van ingrepen die het kabinet wil plegen in de zorg en de pensioenstelsels leidt tot afwachtend gedrag. Burgers sparen meer en bedrijven investeren minder. Uitstel van bestedingen remt de economie af.

In de miljoenennota erkent het kabinet dat er ,,maar weinig pijnloze maatregelen (zijn) om de structurele groei te stimuleren''. Deze ingrepen hadden makkelijker in jaren van groei plaats kunnen vinden. Maar, aldus het kabinet, ,,veel mensen (kunnen) voor dergelijke maatregelen weinig begrip opbrengen als het goed gaat met de economie''.

Minister Brinkhorst (Economische Zaken, D66) vatte de kabinetsagenda samen als een pakket maatregelen om de loonkosten te matigen, de arbeidsdeelname te vergroten en de productiviteit te verbeteren. Hiermee, aldus Brinkhorst, kan Nederland voorkomen dat het afzakt naar een positie van tweederangs natie. ,,Er is maar één economische strategie en dat is die van het kabinet.''

Centraal in de analyse van het kabinet staat de zogenoemde output gap, het verschil tussen de feitelijke economische groei die in een bepaald jaar wordt verwezenlijkt en het potentiële groeivermogen van de economie. Deze vallen zelden samen: onder invloed van externe factoren (economische groei in het buitenland, wisselkoers van de euro, olieprijzen) en interne factoren (loonkosten, consumentenvertrouwen, arbeidsaanbod) kan er sprake zijn van een aanzienlijke kloof. Eind jaren negentig, toen de Nederlandse economie blaakte van zelfvertrouwen, was de feitelijke groei veel hoger dan de structurele groei, in het conjuncturele topjaar 2000 oplopend tot 3,6 procent. Sindsdien trad er stagnatie in en blijft de feitelijke groei sterk achter. Op het ogenblik ligt deze 3 procent beneden het structurele niveau. Zo'n grote verandering van de output gap, meer dan zes procentpunten in een periode van vijf jaar, heeft zich in de afgelopen dertig jaar niet voorgedaan.

Het kabinetsbeleid is er op gericht om de feitelijke groei weer op het niveau van de structurele groei te brengen. Maar dit is niet het hele verhaal. De structurele groei van de Nederlandse economie dreigt namelijk als gevolg van de vergrijzing van de bevolking blijvend lager uit te vallen. Internationale organisaties als het IMF hebben vastgesteld dat het groeivermogen van de Europese economieën afneemt. Als deze veronderstelling juist is, moet Nederland rekening houden met een duurzaam lagere groei.

De uitweg van het kabinet is om meer mensen te laten deelnemen aan het economische proces: ontmoediging van vervroegde uittreding, verscherping van de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidswetgeving, voortgezette matiging van de loonkosten, terugdringing van de inactiviteit en verhoging van de productiviteit. In de overtuiging dat dit op den duur beter werkt dan de Pokon van extra uitgaven om de economie uit het dal te halen.