Dichter van de weemoed op expositie

Het Letterkundig Museum in Den Haag wijdt een tentoonstelling aan de vorig jaar overleden dichter, schrijver en vertaler Willem Wilmink.

Een accordeon in een vitrine, een typemachine, ook achter glas, met enkele onaangebroken pakjes sigaretten van het merk North Star ernaast. Op de gisteren geopende tentoonstelling over de vorig jaar overleden Willem Wilmink in het Letterkundig Museum in Den Haag is veel te zien wat weemoedig stemt. Maar weemoed paste de dichter bij leven al. Op een scherm zijn opnames van nostalgische liedjes van hem te zien uit tv-programma's als de Stratemakeropzeeshow, vertolkt door ondermeer Wieteke van Dort en Joost Prinsen. Over `Arm Den Haag, de weduwe van Indië' gaat het, en over `Meisjes uit vervlogen dagen'.

Anton Korteweg, directeur van het museum, opende de tentoonstelling met een korte speech waarin hij Wilminks veelzijdigheid benadrukte. Behalve dichter, schrijver en vertaler van rond de honderdzeventig boeken was Wilmink bijvoorbeeld ook kathedralen- en Belgisch bier-kenner. Aan deze voorliefdes zijn op de tentoonstelling speelse kabinetjes gewijd. In 1987 wijdde het museum ook al een expositie aan zijn werk. Korteweg overhandigde aan Wilminks weduwe het eerste exemplaar van het aan hem gewijde Schrijversprentenboek, volgeschreven door vrienden, collega's en neerlandici.

Via vitrines is de levensloop van Wilmink te volgen, `van Javastraat tot Javastraat.' De dichter, geboren in 1936, begon en eindigde zijn leven, na omzwervingen via Amsterdam, Capelle aan de IJssel en Zeist, in dezelfde straat in Enschede. In chronologische volgorde zijn familiefoto's en gedichtenschriftjes te zien, boekjes die Wilmink voor zijn zoons maakte, compleet met aandoenlijk oenige illustraties, en verzen in handschrift, zoals het gedicht dat hij schreef naar aanleiding van de vuurwerkramp in mei 2000. `Een buurt, die wel veel zorgen had,/ maar die ook vol verhalen zat,/ vol humor en gezelligheid,/ die buurt zijn we voor eeuwig kwijt', luidt de eerste strofe.

De bijschriften naast de vitrines zijn helaas af en toe wat erg schools van toon. `Willem Wilmink had een grote belangstelling voor de Middeleeuwen, met name voor de bouwkunst en de letterkunde' staat er dan, of, bij een foto van een jolige Wilmink op een terras: `Wilmink was een fervent bezoeker van de café's in de buurt van door hem bezochte kathedralen.'

De tentoonstelling had erbij gewonnen als de samenstellers nog wat gedurfder te werk hadden durven gaan. Een vers voor Wilminks eerste vriendinnetje Jetty, geschreven op zestienjarige leeftijd, begint aldus: `O, zal een nieuwe liefde nu/ Doen vlammen mijn verstild gemoed?' Het was aardig geweest hiernaast de passage uit zijn jeugdboek Buurjongens (1977) aan te treffen, waarin twee vrienden peinzen over een eerste liefdesbrief: `Gaarne zou ik voor je door het vuur willen gaan, want je krijgt al een beetje tietjes.' Vermenging van genres, tijdvakken en stijlen hoorde bij Wilmink. Op de expositie is ook weinig terug te vinden van zijn grote liefde voor literatuur van anderen, voor `hoge' en `lage' kunst, een liefde en een overtuiging die hij, blijkens de bijdragen in het Schrijversprentenboek, te pas en te onpas uitdroeg tegen wie het maar horen wilde.

Aan het eind van de rondgang die de tentoonstelling vormt hangt, gevat in een gouden krullijst, op een eenvoudig wit blaadje in zijn eigen typemachinelettertjes het laatste gedicht dat Willem Wilmink schreef. `Lieve vrouw en kinderen' staat erboven. `Als ik dood ben, moeten jullie/ mijn verhalen doorvertellen./ Als iemand getroost moet worden,/ kunnen jullie altijd bellen.// Ik ben niet meer op aarde,/ maar je kunt me heel goed vinden:/ bel gewoon naar Harry Bannink/ en hij zal je doorverbinden.'

`Willem Wilmink', Letterkundig Museum, Willem Alexanderhof 5, Den Haag. t/m 10 april. Inl. 070 3339666, www.letterkundigmuseum.nl

    • Judith Eiselin