Deportatie uit het beloofde land

Nu de Palestijnen hun werk in Israël niet kunnen bereiken, grijpen buitenlandse illegalen hun kans. De Israëlische immigratiepolitie maakt jacht op ze en zet maandelijks duizenden mensen het land uit. Tegelijkertijd worden jaarlijks 60.000 werkvergunningen verstrekt aan Chinese bouwvakkers, Filippijnse bejaardenverzorgsters en Ghanese vuilnismannen. ,,Israël leek een droomland, maar is nu opeens een gevangenis geworden.''

Van iedere sirene schrikken Prakash Vaz, Vinod Singh en Thomas Lobo uit Bangalore, de hoofdstad van de Indiaase deelstaat Karnataka. Boodschappen doen in de soek van zuid-Tel Aviv is een zenuwslopende onderneming en de nachten duren lang.

De kelner en de twee koks, allemaal dertigers, zijn eerder deze maand na een half jaar werken plotseling ontslagen door de eigenaar van Indira, een van de betere Indiaase restaurants in Herzliya, een noordelijke voorstad van Tel Aviv en woonstede van menig ambassadeur, minister en ex-premier. ,,Israël leek een droomland, maar is nu opeens een gevangenis geworden. Het is een kwestie van tijd dat wij worden opgepakt, opgesloten en uitgewezen. We wilden hier alleen maar werken, maar we worden nu als criminelen beschouwd. We voelen ons opgejaagd'', fluistert Prakash.

Het is een verhaal over een byzantijns systeem. Op het moment dat zij werden ontslagen, veranderde hun verblijfstatus van legaal naar illegaal, van goedgekeurde buitenlandse werknemer met alle relevante stempels in het paspoort tot persona non grata. In Israël is het visum van een niet-joodse buitenlandse werknemer gekoppeld aan een specifieke werkgever. Wie een baan en een baas vindt, mag het land in. Wie zijn werkgever verliest, verliest ook meteen zijn visum. Baanverlies door beëindiging van het arbeidscontract, om wat voor reden dan ook, maakt het begeerde, vaak kostbare document meteen ongeldig.

De meest voor de hand liggende oplossing voor het drietal – een andere werkgever zoeken – is dus geen optie. Dan moeten zij eerst terug naar Bangalore, opnieuw een visum aanvragen en via Indiaase en Israëlische uitzendbureaus een baan zoeken, uiteraard tegen betaling. Het uitzendbureau in India rekent ruim 5.000 dollar voor bemiddeling, verblijfs- en reispapieren en in Tel Aviv moet aan het Israëlische uitzendbureau nog eens 3.000 dollar worden betaald. De drie jonge Indiërs – alleen Vaz is getrouwd – verloren hun inkomen en hun onderkomen, maar als zij hun bankafschriften doorbladeren zien zij alleen maar hoge bedragen in dikke rode letters. Zij hebben zich diep in de schulden gestoken om in Israël te kunnen werken.

De reden voor hun ontslag op staande voet? Een meningsverschil over het loon. Zij kregen maandelijks 450 dollar betaald voor een zesdaagse werkweek van 48 uur plus een aandeel van 150 dollar uit de fooienpot. In werkelijkheid werkten zij 72 tot 80 uur per week. ,,Ik vroeg aan de baas hoe dat kon, omdat we toch een contract hadden. We wilden heel graag veel werken, maar dan wilden we daarvoor ook betaald worden'', vertelt Vinod Singh, die de door advocaten, de restauranteigenaar en de Indiaase vice-consul getekende arbeidsovereenkomsten laat zien. Papieren met indrukwekkende stempels en handtekeningen, in de praktijk juridische vodjes. Daags nadat zij deze vraag hadden gesteld, konden zij vertrekken. Voor de thee, die ze net hadden ingeschonken, moesten zij betalen. De baas werd nog kwaad toen zij vroegen om het contractueel afgesproken vakantiegeld.

Nu zwerven zij van huis naar huis in Zuid-Tel Aviv, de naargeestige buurt rondom het oude busstation, in de eens exotische soek: een lawaaiige, vervuilde buurt die langzaam wordt platgewalsd door oprukkende kantoorkolossen van spiegelend staalblauw en groen glas. Ieder moment kunnen zij door de immigratiepolitie, die hier rondrijdt in grijze Toyota-busjes, worden aangehouden. Zij overwegen daarom naar Irak te gaan, want via de tamtam hebben zij gehoord dat er volop werk is in de olie-industrie in Basra en de bouwvak in Bagdad. Terugkeren naar Bangalore is geen optie, want daar verdienen zij nooit genoeg om hun bankschulden af te betalen. Prakash Vaz: ,,Mijn vrouw weet nog van niets, ik wil haar niet ongerust maken en ik weet niet of ik haar vertel dat we misschien naar Irak gaan''.

Kav La'Oved is een belangenorganisatie die zich aanvankelijk voor Palestijnse werkers inzette, maar nu actief is voor Aziatische en Afrikaanse migranten. Medewerkster Hanah Zohar: ,,Het schandalige is dat hoogstwaarschijnlijk op dit moment in India de contracten worden getekend voor het inhuren van drie nieuwe werknemers voor dit restaurant'', zegt zij. ,,Het uitzendbureau in Bangalore strijkt opnieuw 4.000 dollar op, het uitzendbureau hier in Israël ontvangt opnieuw 3.000 tot 4.000 dollar. Wij denken dat een deel van dat geld naar de werkgevers, naar zo'n restauranteigenaar gaat, die daarmee over gratis arbeid kon beschikken. Die jongens hebben als het ware zichzelf betaald. Het is volgens ons gewoon een vorm van gelegaliseerde mensenhandel. Een officieel gesanctioneerde handel nog wel.''

Economen en sociologen van de Universiteit van Tel Aviv vallen Hanah Zohar bij. ,,Er is inderdaad sprake van een ontwricht, slecht werkend systeem'', aldus professor Yitzhak Schnell van de Universiteit van Tel Aviv. ,,Legale migrantenwerkers kunnen niet van werk veranderen, ze kunnen geen rechten doen gelden of hun salaris verbeteren zonder het risico ontslagen en dus illegaal te worden. Dat werkt allerlei vormen van corruptie en maffiapraktijken in de hand. Vooral ook omdat de ene politiearm van de regering migrantenwerkers wegstuurt en de andere arm, de economische, hen binnenhaalt.''

In het dagblad Ha'aretz erkende de plaatsvervangend directeur begroting Yael Andoren-Varmos onlangs omzichtig dat ,,Israël zich op de rand van de handel in werknemers bevindt. Er moet hoognodig actie worden ondernomen tegen corrupte uitzendbureaus en overheidsfunctionarissen.''

Zohar zegt met grote stelligheid dat sommige uitzendbureaus in handen zijn van de Israëlische maffia. Feit is dat de particuliere uitzendbureaus een heuse industrie van 2 miljard dollar vormen en ook politieke druk kunnen uitoefenen om veranderingen in de wetgeving tegen te houden.

Kav La'Oved en andere mensenrechtenorganisaties zorgden eind vorig jaar voor groot rumoer, toen zij in een dik rapport het opsporen en uitzetten van illegalen en soms ook legalen die hun paspoort niet bij zich hebben, bestempelden als `razzia's' en `deportatie' – zeer emotionele termen na de holocaust. Zij ontvingen en ontvangen nog steeds heel veel klachten over het geweld waarmee de politie zoekacties naar illegalen uitvoert, variërend van ingeslagen deuren en ruiten tot gestolen bezittingen en opsluiting in gevangenissen met criminelen en terroristen. ,,Ik zie nog geen reden die woorden te verzachten'', aldus Zohar. ,,Deze praktijken, deze mensenhandel, horen niet in Israël thuis, in een land met onze geschiedenis en ook niet in een land dat deze mensen eerst hard nodig had om huizen te bouwen en bejaarden te verzorgen.''

Volgens Israëls Centraal Bureau voor de Statistiek waren er in 1990 ongeveer 2.000 buitenlandse werknemers. In 1995 was dat aantal al gegroeid naar 92.000, in 2000 naar 150.000 en in 2003 naar 300.000. Dat aantal zal naar verwachting dit jaar hetzelfde blijven.

Sinds het begin van de Palestijnse opstand is het aantal buitenlandse werknemers in Israël spectaculair gestegen. Het overgrote deel van de 150.000 tot 200.000 Palestijnen die tot 2000 meewerkten aan de opbouw van Israëlische steden en bij het binnenhalen van de oogsten, kregen werk- en toegangsverboden opgelegd. Onder druk van het bedrijfsleven, dat volgens menig econoom aan lage lonen verslaafd is zoals junks aan harddrugs, stond de overheid de massale instroom van Chinezen, Filippijnen, Ghanezen en Nigerianen toe. Volgens cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft van de dertig ontwikkelde landen, alleen Zwitserland een hoger percentage buitenlandse werknemers (17,5) dan Israël (ruim 10).

Op de bouwstellingen in de Israëlische steden en in de bezette gebieden zijn Chinees en Engels de voertalen. In de land- en tuinbouw, ook in de kassen in de joodse nederzettingen in de Gazastrook, zijn dat Thais en Nepalees. Filippijnse vrouwen verzorgen Israëlische zieken, Ghanese maken huizen en kantoren schoon. Vermogende Israëliërs laten de zorg voor een bejaarde vader of moeder meestal over aan een Filippijnse hulp in huis. Je ziet ze schuifelen in de straten en parken van Ramat Aviv, Ramat Gan en Herzliya-Pituach, jonge vrouwen uit Manila die oude dames ondersteunen, voortduwen in rolstoelen of voor een schuifelende grootvader de boodschappentas dragen.

Tegelijkertijd liep vanaf 2001 de werkloosheid onder de Israëlische bevolking op tot 10,1 procent in het tweede kwartaal van 2004. De Israëlische economie volgt in dat opzicht de internationale trends. Die afgelopen drie jaar zijn die in Israël negatief versterkt door de hoge kosten van de bezetting, zware bezuinigingen in de overheidssector en het inzakken van de computer- en toeristenindustrieën.

De regering van premier Sharon besloot daarom twee jaar geleden Israëliërs te dwingen (,,aan te moedigen'') het werk op te zoeken dat voorheen door Palestijnen en vervolgens door migrantenwerknemers werd verricht. Het aantal werkvergunningen werd beperkt, verstrekte werk- en verblijfsvergunningen werden als regel niet verlengd. Daardoor groeide het aantal illegalen tot 90.000, op wie vervolgens door een nieuwe `taskforce' van de immigratiepolitie jacht werd gemaakt.

Maar uit de recente werkloosheidscijfers blijkt dat werkloze, doorgaans goed opgeleide Israëliërs, de nieuwe joodse immigranten meegerekend, nog steeds weinig animo tonen voor het laagbetaalde werk in de bouw, de landbouw en de zorgsector. Ondanks de strengere aanpak van migrantenwerkers is het afgelopen anderhalf jaar de werkloosheid onder Israëliërs gestegen terwijl het aantal migrantenwerkers door vrijwillig vertrek en uitzetting aan het dalen is.

Het ministerie van Financiën overweegt daarom het instellen van een strafheffing op het in dienst nemen van buitenlandse werknemers, het reorganiseren van de uitzendbureausector en het verder verlagen van het aantal werkvergunningen. Maar de regering is niet eensgezind en het parlement is diep verdeeld. Uitzendbureaus lobbyen om het systeem intact te houden en de organisaties van bouw- en landbouwbedrijven verzetten zich tegen de inperking van het aantal spotgoedkope migranten, die bovendien slecht georganiseerd zijn en niet durven of willen klagen. Sharon is als premier voor de strenge aanpak van het ministerie van Financiën, maar Sharon de politicus – en vooral ook de herenboer – sympathiseert met de klaagzang van de agrarische sector.

Het aantal werkvergunningen voor bouwvakkers en landbouwers is daarom nagenoeg ongewijzigd gebleven omdat de behoefte aan werknemers die genoegen nemen met lonen die lager liggen dan het Israëlische minimumloon in deze sectoren nog altijd onverminderd groot is.

Deze situatie kan bestaan omdat de controle op de naleving van sociale wetten betrekkelijk zwak is en corruptie geen vreemd verschijnsel, getuige de breed uitgemeten schandaaltjes over omgekochte ambtenaren en politiemannen die tegen betaling geen illegale werknemer willen zien op een bouwstelling.

Er is nog een, min of meer legale, methode om in Israël te blijven: kinderen krijgen. Wie een of meer kinderen heeft, wordt doorgaans met rust gelaten. In een naargeestig, vervallen buurtje in Zuid-Tel Aviv woont op drie hoog de Filippijnse familie Quinto. Tien jaar geleden reisde Arnold Quinto met zijn vriendin van Manila naar Tel Aviv voor een vakantiereisje dat uitliep op een lang verblijf. Hij studeerde sociologie, werkte als ober en musicus. ,,Na drie maanden was ons toeristenvisum verlopen en na een jaar onze werkvergunning. Het maakte niet uit, niemand lette op ons. Legaal, illegaal, tot een paar jaar geleden was het allemaal geen probleem, we vonden altijd werk, verdienden goed, het was een prima leven hier, oneindig veel beter dan in Manila'', vertelt de 33-jarige Arnold als hij thee inschenkt voor zijn twee dochtertjes. Hij zit zonder werk, zijn vrouw Irene zorgt voor het inkomen (ruim 2.200 dollar) als verzorgster van een gefortuneerde Duitser die vorig jaar naar Israël is geëmigreerd.

De twee meisjes, van zeven en negen, gaan naar een van de beste particuliere scholen in Tel Aviv en spreken vloeiend Hebreeuws. Arnold gaat nooit de straat op zonder Jasmine of Ismelda, die hun rood/blauwe schooluniformen nog aan hebben. ,,Een Filippijnse illegaal, zoals ik, wordt ongemoeid gelaten als hij kinderen bij zich heeft. Als ik alleen loop en opgepakt word ga ik de gevangenis in en zal ik het land moeten verlaten.'' Hij en Irene, ook illegaal, hebben hun hoop gevestigd op een wetsontwerp van minister van Binnenlandse Zaken Poraz, die alle kinderen van buitenlandse werknemers die aantoonbaar in Israël geboren zijn en ouder zijn dan acht jaar en hun ouders een verblijfsvergunning wil geven. Voor de ouders zou die vergunning gelden tot het moment dat hun kinderen hun dienstplicht hebben vervuld. Jongeren, illegaal of legaal, moeten ook in dienst als zij achttien jaar zijn geworden, zoals zij ook verplicht zijn naar school te gaan. Overigens kunnen niet alle migrantenouders aantonen dat hun kinderen in Israël zijn geboren, omdat ziekenhuizen alleen tegen betaling van 1.300 dollar – de kosten van een geboorte – geboortecertificaten afgeven.

,,We hebben die papieren gelukkig wel. Onze kinderen hebben hier toekomst en niet in Manila. We zijn daar al te lang weg om daar een bestaan op te bouwen. Hier kunnen wij onze dochters een opvoeding en een opleiding geven. Ik hoop ook dat zij het leger ingaan. Onze kinderen zijn onze prioriteit, dat is onze keuze'', vertelt Arnold. Overdag komt hij zelden op straat en bij iedere passerende auto kijkt hij even over het balkon, dat hij heeft ingericht als openlucht zitkamer. Baantjes zoeken is riskant geworden. Graag zou hij gaan schrijven, een boek of in de journalistiek. Maar werken voor, bijvoorbeeld, een glossy maandblad voor Engelssprekende migrantenwerkers, is uitgesloten. ,,De immigratiepolitie heeft pas de hele redactie opgepakt.''

Als hij het kleine appartement, volgepropt met verhuisdozen, laat zien blijft hij over zijn dochtertjes praten. ,,Hier hebben zij meer kans. Het is het allemaal echt wel waard.'' Zelf brengt hij de dagen door met koken, wachten, muziek maken en gewichtheffen.

En als hij toch wordt opgepakt? ,,Naar huis, naar Manila? Nooit. Ik denk dat ik dan buizen ga lassen in Irak.'' Opnieuw: ,,Voor mij misschien niet meer, maar voor mijn kinderen is Israël echt het beloofde land.''

    • Oscar Garschagen