Welkom De Mol

Bij concurrentie is de televisie altijd gebaat, want al het aanbod op het scherm lijkt nog te veel op elkaar. Het is gunstig dat de ervaren tv-producent John de Mol een nieuw tv-kanaal wil opzetten om te concurreren met de drie partijen die in Nederland de ether beheersen, twee commerciële en één publieke. Dit is geheel in lijn met de politieke wens tot economische spreiding van eigendom bij de media. Miljardair De Mol, die zijn aandeel in zijn wereldwijd opererende productiebedrijf voor veel geld tijdens de hoogconjunctuur aan Telefónica heeft verkocht, kan het financieel goed uithouden tegenover RTL, SBS en de publieke televisie. Jammer genoeg concentreert De Mol zich op het reeds druk bezette midden van de markt van de familiezenders met voetbal, shows, spelletjes en soap. Qua inhoud zal de diversiteit niet toenemen.

Vooral De Mols ambities op voetbalgebied baren de andere partijen zorgen. Als vier partijen meebieden op de voetbalrechten, zullen de prijzen stijgen. De Mol kan in het begin best flinke verliezen op voetbaluitzendingen dragen, want met voetbal koopt hij marktaandeel ten koste van de andere partijen. De publieke omroep heeft dankzij voetbal en sport zijn marktaandeel en hoge reclametarieven in stand kunnen houden. Maar nu heeft De Mol al aangekondigd dat hij mee zal bieden op de rechten op de eredivisie, die voor de prijs van 55 miljoen euro voor drie jaar in handen zijn van door de overheid betaalde kanalen. De publieke televisie doet er goed aan om dan niet meer tot grote hoogte mee te bieden voor het behoud van die rechten. Er is geen belastinggeld nodig om voetbalfragmenten uit de eredivisie of complete wedstrijden uit andere competities uit te zenden. De commerciële televisiezenders kunnen dat zelf ook uitstekend. Er zijn genoeg buitenlandse voorbeelden van publieke zenders die met minder dure sport uitstekend floreren. Aangezien de voetballeveranciers een groot deel van de regie in handen hebben, hebben uitzendingen steeds minder met objectieve televisieverslaggeving te maken. Naar schatting zestig miljoen euro per jaar voor sportuitzendrechten is te veel voor een publieke omroep die in zijn kerntaak tekortschiet.

De komst van De Mol is een welkome aanleiding voor de publieke omroep om zich op zijn rol in het bestel te bezinnen. Die taak ligt niet op de reeds drukbezette markt van sport en spelletjes, maar in hoogwaardig drama en culturele, educatieve en verslaggevende programma's. De televisiemarkt is niet vol, maar eenzijdig. Juist die eenzijdigheid baart de politiek zorgen. De Mol wil vooral geld verdienen en dat mag hij als ondernemer. Hij krijgt er geen subsidie voor. Maar de publieke omroep moet zijn marktaandeel verdienen door meer diversiteit in programmering.