Wat is er toch veel tijdgeest

Alweer een tijd geleden, in de onschuldige prehistorie vóór 11 september 2001, verkondigden sommige filosofen het einde van de `grote verhalen', zoals die van het christendom, het marxisme en rationalisme. Fragmentering, ironie en verbrokkeling zouden de plaats innemen van het vooruitgangsdenken, de morele superiorieit en het rationalisme waarmee het Westen zichzelf uniek had verklaard. Maar sinds dat postmodernisme ook zelf is verbrokkeld, vliegen de grote woorden je weer onbekommerd om de oren: de Verlichting, het Westen, universele waarden. Meestal gaat het dan niet om vernieuwende filosofische of politieke analyses, maar om slagzinnen, politieke slogans of pastiches. Als karikaturale reprise van een gedroomd Westers verleden is de huidige verering van de Verlichting geen afrekening met het postmodernisme, maar zelf een postmodern verschijnsel.

Carel Peeters, criticus van Vrij Nederland en oud-chef van de Republiek der Letteren in dat weekblad, moet niet veel hebben van postmoderne theorieën. Maar toch, wie de lange en bonte rij boeken, schrijvers en filosofen overziet die hij in kort bestek in zijn bundel De denkersclub laat langskomen, bekruipt het gevoel dat een wat speelsere, `postmoderne' benadering niet zo gek zou zijn geweest. Peeters neemt, in de traditie van Nederlandse exegese, wel erg serieus wat er allemaal aan moderne filosofie uit het buitenland wordt aangevoerd. De bundel, schrijft hij, wil een `panorama van het denken' zijn, of zelfs een soort `filosofisch en wetenschappelijk woordenboek van het begin van de nieuwe eeuw'.

In de `korte essays', eerder wekelijks verschenen in Vrij Nederland onder de titel `Debut de siècle', komen tientallen boeken aan bod over literatuur, ethiek, cyberspace, cultuurkritiek, humanisme, het lichaam-geestprobleem en nog veel meer. Peeters behandelt ze gewetensvol, op een toon die serieus is, nuchter (`Er is altijd tijdgeest geweest, maar nog nooit zoveel') en aangenaam vrij van de lawaaierige sloganeering die zoveel filosofie en literaire kritiek tegenwoordig onverteerbaar maakt – of juist zo makkelijk verteerbaar.

Maar die eerbied voor grote ideeën en belangrijke boeken is ook een beetje het probleem van De denkersclub. Peeters plaatst verstandige kanttekeningen, brengt nuances aan en trekt boude stellingen graag in twijfel. Maar waar staat hij zelf? Hij spreekt in zijn voorwoord van het `diffuse bewustzijn dat er gedanst wordt op een vulkaan' als tekenend voor onze tijd. Maar welke vulkaan, en wie danst er op dat vurige feestje precies met wie? Peeters keert zich tegen de `adder' van de commercie, maar kapittelt cultuurpessimisten die er geen gat meer in zien; hij put moed uit het `warmebakkerseffect': de kleine zelfstandige die zich redt, omdat hij kwaliteit aflevert. Hij heeft kritiek op de conservatief Roger Scruton als een filosoof die niet alleen een stiff upper lip heeft, maar ook een stijf stel hersens: `Het is kleingeestig om altijd en overal om dikke ernst te vragen', schrijft hij. Een waar woord. Peeters is zelf niet kleingeestig, maar ook bij hem zou de ernst wel minder dik kunnen. Dan wordt de milde scepsis ook opeens ernstiger.

Carel Peeters: De denkersclub. De Harmonie, 314 blz. €19,50

    • Sjoerd de Jong