Trots op Brabant

Guus Middag luistert naar Nederlandstalige liedjes. Vandaag naar `Brabant' van Guus Meeuwis, een oud lied dat dankzij de Olympische Spelen nieuwe successen viert.

Eenzaam loopt Guus Meeuwis te zingen door de stad. Hij heeft het koud, het wordt vroeg donker, en `de mensen zijn stug/ en er is maar één kroeg'. Is hij een student misschien, met liefdesverdriet? Nee, eerder een verloren reiziger: `Als ik naar mijn hotel loop/ na een donkere dag,/ dan voel ik mijn huissleutel/ diep in mijn zak.' Op weg naar het hotel de huissleutel voelen: dat is een mooie manier om te zeggen dat je heimwee hebt. `De mensen: ze slapen,/ de wereld gaat dicht': dat is een mooie manier om te zeggen dat je je opgesloten voelt, in die vreemde en donkere stad. De piano dringt aan, de strijkers zetten aan, het hoge woord moet eruit: `en dan denk ik aan Brabant, want daar brandt nog licht.'

Nu het B-woord eindelijk uitgesproken is, kan de zanger opgelucht en vrijuit verder. Hij zingt de lof van de Brabantse gezelligheid die hij zo mist. Hij roemt de `warmte van een dorpscafé' en `de aanspraak van mensen met een zachte G'. Mopperen kunnen ze ook, die Brabanders. Meeuwis houdt ze voor dat ze wel wat trotser op hun streek mogen zijn – met deze grammaticaal interessante vergelijking: `Was men maar op Brabant zo trots als een Fries.'

Er is nog iets dat hem op deze koude avond heimwee bezorgt: in Brabant woont namelijk zijn geliefde. `In het zuiden vol zon/ woon ik samen met jou', zingt hij haar toe, met warme stem, gevolgd door deze welbeschouwd nogal curieuze, maar wel ruimhartige bewering: `Het is daarom dat ik zo/ van Brabanders hou.' Houd je er van één, dan houd je van ze allemaal, blijkbaar.

Na zo'n royale liefdesverklaring kan de rem er helemaal af. Het is even stil, maar dan marcheert een groot hoempaorkest het lied binnen. Tuba, trombone, blazers, trekzak – het lijkt wel alsof overal de deuren zijn opengegaan en de straat nu volstroomt met feestvierders en deurzakkers die allemaal willen bewijzen dat in Brabant het licht inderdaad nooit uitgaat. Het schrijnende grotestadslied is omgeslagen in een feestelijke dorpspleinballade.

Het lied was de laatste weken veel op de radio te horen. Was het de nieuwe single van Meeuwis? Tevens bedoeld als het nieuwe Brabantse volkslied, waar een tijdje geleden vraag naar was? Met ondersteuning van de provinciale VVV, de horeca, een regionale bierbrouwer en een enkele plaatselijke gloeilampenfabrikant (`want daar brandt nog licht')? Maar toen ik op onderzoek uitging, bleek al gauw dat het een oud lied was, ooit bij een eenzaam bezoek aan Moskou geschreven, op een cd (`Guus Meeuwis', 2002) gezet en toen meteen ontdekt en op allerlei manieren voor de Brabo-promotie aangewend.

Waarom had ik het de laatste tijd dan zo vaak gehoord? Omdat men het bij Radio Olympia na ieder Brabants succes bij de Olympische Spelen draaide. Pieter van den Hoogenband, Leontien van Moorsel, Anky van Grunsven en Salinero: allemaal uit Brabant. Nu zijn ze even moe, of zwanger, maar over vier jaar zullen ze er wel weer bij zijn. En dan zullen 's avonds in Peking de lichten gaan doven, maar op één plek niet. In de donkere Chinese nacht zullen de mensen stil blijven staan en luisteren. Daar, in de verte, vanuit het Holland House, klinkt dan opnieuw de stem van Guus Meeuwis: `Maar de mensen: ze slapen,/ de wereld gaat dicht./ En dan denk ik aan Brabant,/ want daar brandt nog licht.'