Pers en politiek zijn hard toe aan gesprek over openbaarheid

Het frequent lekken van geheime informatie geeft aan dat oude afspraken en embargoregelingen niet langer werken. Het is daarom tijd voor een goed gesprek, vindt Marja Wagenaar.

Afgelopen woensdag lekte de miljoenennota uit naar het RTL-nieuws. Een spectaculaire primeur voor de commerciële zender, die onmiddellijk werd gevolgd door een discussie over nut en noodzaak van de embargo-afspraken tussen de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) en de parlementaire pers. De heftige toon van de discussie daarover is nieuw, de discussie zelf niet. Al eerder lekte de inhoud van de miljoenennota uit op internet, terwijl de embargoregeling de media bindt aan de afspraak om vóór prinsjesdag niets naar buiten te brengen, en ook vereist dat als anderen wel iets publiceren, dat nieuws niet over te nemen. Voor deze krant was dat overigens reden de regeling niet meer te ondertekenen om niet gebonden zijn aan een dergelijke extreme inperking van de vrije nieuwsgaring.

Het is dan ook de vraag of de embargoregeling in de toekomst nog houdbaar is. Het herenakkoord bestaat al ruim een halve eeuw en is in ieder geval aan herziening toe. Slechts één keer eerder ontstond er een dergelijke commotie. Dat was in 1957. Op de zaterdag voor prinsjesdag slaagde Henry Faas, redacteur van de Volkskrant, erin om door middel van (aan hem) beschikbare informatie te combineren met giswerk de hoofdlijnen van troonrede en miljoenennota in de krant te publiceren. Hem werd door een woedende premier Drees ,,de toegang tot de departementen'' voor een jaar ontzegd. Maar nog geen drie maanden later haalde de premier bakzeil onder druk van de Tweede Kamer en de toenmalige journalistenvakbond en was Faas weer welkom in Den Haag. Het incident vormde vervolgens de opmaat voor een discussie over een herziening van de relatie tussen de politiek en de Nederlandse pers, die in de nadagen van de Greet Hofmans-zaak net begonnen was haar verzuilde volgzaamheid af te leggen.

Ook nu is er geen sprake van een losstaand incident. Het debat over de embargoregeling raakt de principiële vraag hoe media en politici openbaarheid wensen te hanteren. Openbaarheid kent twee verschijningsvormen. Openbaarheid uit opportunisme, waarbij vooral belangenbehartiging en willekeur in het geding zijn. En openbaarheid als rechtsbeginsel, dat uitgaat van het grondwettelijke recht van alle burgers op overheidsinformatie. De afgelopen jaren heeft vooral de opportunistische variant van openbaarheid een grote vlucht genomen. De toenemende beleidsconcurrentie tussen de verschillende Haagse ministeries is daarvan een voorname oorzaak. `Eigen punten maken' wordt voor individuele ministers steeds belangrijker. Veel van wat er in de uitgelekte miljoenennota stond, was dan ook niet nieuw, maar al doodgewoon naar buiten gebracht door bijvoorbeeld minister De Geus (Sociale Zaken) met het prepensioen of door staatssecretaris Rutte (Onderwijs) met de studiefinanciering.

Openbaarheid uit opportunisme kent ook een zware anonieme variant: het lekken. Dat varieert van proefballonnetjes oplaten tot anoniem naar buiten brengen van nieuws aan de vooravond van de vrijdagse vergadering van de ministerraad. Het laatste vaak in een poging om het debat daar te beïnvloeden door via de media alvast reacties uit parlement en samenleving uit te lokken. Degenen die lekken hebben meestal als motief de politieke besluitvorming op ondoorzichtige wijze te beïnvloeden. Maar soms is het nog platter. De Amerikaanse media-onderzoeker Stephen Hess constateert in zijn onderzoek naar lekken dat `ego-lekken' een veel voorkomend verschijnsel zijn. Dat zijn lekken naar een journalist waarbij de lekker als beschikker over kennelijk gewilde informatie belangrijk gevonden wil worden door de media. Of iemand lekt om goodwill te kweken bij een journalist, vooruitlopend op mogelijke toekomstige positieve publiciteit. Dergelijk anoniem zoeken van de openbaarheid draagt niet bij aan de doorzichtigheid van een democratisch bestel.

Beleidsconcurrentie en openbaarheid uit opportunisme gaan hand in hand. Maar beleidsconcurrentie kent ook nog een andere evenknie: mediaconcurrentie. Het succes van commerciële radio- en tv-zenders heeft geleid tot een slag om de luister- en kijkcijfers. Ook het teruglopen van het aantal abonnees bij kranten, de ontlezing, heeft geleid tot meer journalistieke concurrentie. De jacht op hele en halve primeurs, liefst met enig spektakel omgeven, in het tijdperk van de 24-uursnieuwsvoorziening beheerst steeds meer en vaker de dagelijkse journalistieke berichtgeving dan een adequate en afgewogen nieuwsvoorziening aan kijkers, luisteraars en lezers. Daarmee ontstaat het gevaar dat concurrentiemotieven, uiteindelijk geworteld in economisch denken, het winnen van ideële journalistieke motieven, geworteld in democratisch denken.

Intussen dreigt openbaarheid als rechtsbeginsel het onderspit te delven. Een gelijktijdige en openbare informatievoorziening aan iedereen als leidraad voor politiek- en overheidshandelen druist immers in tegen de cultuur van beleidsconcurrentie. Het vereist bovendien een journalistieke cultuur waarin informatievoorziening doorgaans belangrijker wordt gevonden dan het aftroeven van de concurrentie. Toch ligt in het hanteren van openbaarheid als rechtsbeginsel wel de sleutel voor het creëren van een doorzichtiger democratisch systeem. Pluriformiteit en betrouwbaarheid van media zijn onontbeerlijke pijlers voor zo'n systeem. Media die dat serieus nemen, zullen zich dus minder moeten laten leiden door de grillen van al dan niet anonieme concurrerende Haagse beleidsmakers.

Op de ministeries zal er voor zo'n omslag niet altijd een even enthousiast gehoor worden gevonden. De Tweede Kamer daarentegen zou wel eens een natuurlijke bondgenoot kunnen zijn. De afgelopen weken is immers ook weer uit de verhoren van de commissie-Duijvesteijn gebleken dat aan de informatievoorziening in de richting van de Kamer nog wel eens wat schort. Ook daar is een roep om minder manipulatie en een cultuur van meer transparantie op zijn plaats. Een embargoregeling zoals die met betrekking tot de miljoenennota past niet in zo'n transparante cultuur. Door de regeling wordt een systeem van ongezonde wederzijdse afhankelijkheid tussen journalistiek en overheid in stand gehouden. Bovendien is het nogal betuttelend ten opzichte van burgers dat pers en RVD nu samen in de achterkamer het tijdstip uitmaken waarop diezelfde burgers niet onbelangrijke informatie zoals die in de miljoenennota tot zich mogen nemen.

Het wordt dan ook hoog tijd dat pers en parlement eens opnieuw hun positie bepalen over de wijze waarop openbaarheid in Nederland wordt vormgegeven.

Dr. Marja Wagenaar is voormalig lid van de Tweede Kamer (PvdA). Zij schreef een proefschrift over de Rijksvoorlichtingsdienst.