Mijn pen wil dat ik dit schrijf

Schrijven over het onzegbare, over het onmenselijke, over wat zo diep gaat dat een mens het niet of nauwelijks te boven komt – hoe doe je dat? De Afrikaanse schrijver Ahmadou Kourouma liet zijn kindsoldaten in Liberia stoeien met Franse woordenboeken; de Algerijn Rachid Boudjera, die zelf geen nacht in hetzelfde bed kon slapen omdat er op hem gejaagd werd, koos voor haastig taalgebruik; de Marokkaanse Malika Oufkir schreef juist vol pijn en verdriet over de decennia die zij in een ondergrondse gevangenis in de Sahara doorbracht.

De Frans-joodse filosofe Sarah Kofman schreef er geen letter over. Haar leven lang bracht zij niets van wat dat leven had bepaald, onder woorden. Zij wijdde zich aan de filosofie en publiceerde meer dan twintig boeken over Kant, Rousseau, Derrida en Nietzsche. Ze schreef over kunst, psychoanalyse en feminisme, waarbij ze werkte op het snijvlak van uiteenlopende disciplines. Tot in 1994. In dat jaar publiceerde de toen zestigjarige Kofman Rue Ordener, rue Labat, een kort autobiografisch relaas over de deportatie van haar vader, rabbijn Bereck Kofman, over haar jeugd en over de relatie met haar moeder. Meteen na het voltooien van dit verhaal pleegde de filosofe zelfmoord.

Net als in Frankrijk en in Duitsland bijvoorbeeld kent Kofman ook in Nederland een klein, maar toegewijd lezerspubliek. Eerder vertaalden Henk van der Waal en Joke J. Hermsen voor uitgeverij Picaron Baubo, Theologische perversie en fetisjisme, Kofmans veelgeciteerde essay over Nietzsche. Ook de vertaling van Rue Ordener, rue Labat is met zorg uitgegeven en bevat, voor degenen die niet vertrouwd zijn met het werk van Sarah Kofman, een inleiding van de vertaalster, Désirée Schyns, en een verhelderend nawoord van literatuurwetenschapper Solange Leibovici.

Kofmans tekst – geen roman, geen novelle, maar ontegenzeggelijk autobiografisch van aard – bestaat uit 23 korte hoofdstukken en evenzoveel cruciale herinneringen aan haar jeugd. Het geheel maakt de indruk uit noodzaak geschreven te zijn. De zinnen zijn kort en kaal, ze lijken slechts te informeren, de herinnering weer te geven in de meest pure vorm. Literaire schoonheid is niet wat Kofman op het oog had. Haar taal is eenvoudig en helder als komt zij rechtstreeks voort uit een langvervlogen tijd, als vloeit zij plotseling op uit een lang verborgen gehouden en lang bewust genegeerde bron.

Het is soms de taal van het negenjarige meisje dat zij was op 16 juli 1942, de dag waarop de Gestapo haar vader meenam, de vader van wie zij `alleen nog maar een vulpen' bezit. Die pen `dwingt haar te schrijven, te schrijven'. Kofman beschrijft hoe haar vader, in zijn functie van rabbijn, de vereiste rituele handelingen uitvoerde op joodse feestdagen, hoe hij aan het einde van de sabbat snakte naar een sigaret. Ze herinnert zich de ansichtkaart die hij zijn familie stuurde vanuit het doorgangskamp Drancy, het laatste teken van leven dat zij ontvingen. Zijn plotselinge verdwijnen en de periode van angst en chaos die zij daarna doormaakt, zijn traumatisch voor het meisje Kofman. In het werk van Patrick Modiano hervinden we die chaos en die angst in volle omvang. Het oeuvre van Modiano draait om dit zwarte gat. De auteur probeert degenen die verdwenen een naam te geven en tracht hen die stuurloos achterbleven van een verleden te voorzien.

Na de deportatie van haar vader werd de relatie van Kofman met haar moeder problematisch. In eerste instantie verdroeg het meisje het niet om ook maar een moment van haar moeder gescheiden te zijn. Als zij, net als haar vijf broers en zussen, buiten Parijs, op een onderduikadres wordt ondergebracht, blijft ze huilen tot ze weer wordt opgehaald. Met haar moeder zwerft ze door de stad, nu eens hier overnachtend, dan weer daar. Tijdens hun verblijf bij de liefdevolle `dame van de rue Labat', waar haar moeder apart, in een geheime kamer verblijft en Kofman zelf bij de vrouw woont die ze `oma' noemt, wordt de twee-eenheid radicaal verbroken: ze hecht zich zodanig aan deze vrouw, die haar boeken geeft, haar intellectueel stimuleert en haar van haar joodse gewoonten ontdoet, dat haar moeder langzaam naar het tweede plan verdwijnt. Als ze voor moederdag een cadeautje koopt voor haar twee moeders, is het mooiste voor haar `oma'. `Ik schaam me en voel dat ik rood word in de winkel. Ik heb zojuist echt een keuze gemaakt.'

Na de oorlog strijden de twee vrouwen om het meisje. Haar biologische moeder eist haar op en wil haar joodse opvoeding voltooien, haar `oma' die haar redde, wil haar bij zich houden en haar naar eigen inzicht een toekomst geven. Uit de laatste hoofdstukken van Rue Ordener, rue Labat blijkt hoe vervreemdend en hoe verscheurend deze ervaring voor het meisje is geweest. Onder haar kort, koele zinnen schemeren heftige en tegenstrijdige gevoelens van haat, liefde, trouw en schuldgevoel. Daar schuilt het onzegbare, verborgen in een pijnlijke, onontwarbare kluwen.

Sarah Kofman: Rue Ordener, rue Labat. Vertaald door Désirée Schyns. De Arbeiderspers, 96 blz. €12,50

Op 21 september, 20.00 uur, wordt in De Balie in Amsterdam een avond gewijd aan leven en werk van Sarah Kofman. Zie www.slaa.nl

    • Margot Dijkgraaf