Met wilde tranen het podium op

Liefde en dood. Hoe licht raken die elkaar in momenten van extase? Ben Jonson formuleerde het al omstreeks 1630 in zijn onvoltooide toneelwerk The Sad Shepherd. Daarin bezingt de jonge Karolin haar twijfels over het paradoxale tweetal. Ze weet nog niet goed wat de dood en wat de liefde is, maar beide dragen pijlen, is haar verteld, en beide mikken op ons hart. `Karolin's Song' is niet de eerste passage in de wereldliteratuur waarin Cupido en de Dood hun zwagerschap tonen, en allerminst de laatste. Van Hadewijch tot Rawie is ook de Nederlandse poëzie vervuld van hun verbond.

Hoe opmerkelijk dan is het dat F. Starik beide thema's blijkbaar strak gescheiden wil houden. Rode Vlam en De verdwijnkunstenaar heten zijn nieuwe bundels, die onlangs tegelijkertijd verschenen. In de eerste beschrijft hij zijn grote liefde voor een vrouw met de ambitie om zijn `volgende' te zijn, maar ook zijn vaderliefde voor een zoon die elders woont komt aan bod. De tweede bundel behelst het afscheid en de dood – van familieleden en vrienden, maar ook van totaal onbekenden die van gemeentewege een eenzame uitvaart kregen.

Gescheiden thema's dus. Toch is er in De verdwijnkunstenaar één gedicht waarin de dood en liefde elkaar in Stariks woorden raken. `Control Alt Delete' heet het, en de eerste regel suggereert dat het gedicht een droom beschrijft:

We zaten in mijn keuken of we lagen al in bed

en we bespraken wat te doen als jij vannacht

nog

in dat bed zou sterven: ik zou je moeder bellen

opperde ik, en noemde namen van bekenden

aan wie ik een bericht zou zenden dat jij

zomaar overleden was, we lagen net in bed.

Aart-Jan moet komen, Aart-Jan die moet

mijn hand vasthouden terwijl ik schok

van wilde tranen, want ik moet ergens heen

met mijn verdriet: eerst zou ik flink zijn

koel je lijk afleggen, een paar afspraken

verzetten

de dingen doen die bij onaangekondigd

sterven horen

ik zou de komst van lege namen wachten.

Dit gedicht is exemplarisch voor wat Starik in zijn verswerk doet. Het is eenvoudig van taal, dicht bij de alledaagse spraak dus zelden ambigu, maar toch verrassend en uiteindelijk ook raadselachtig, zoals hier in de laatste regel. Waar alles goed gaat levert deze aanpak een mooi eigentijds parlando op; maar het gaat niet altijd goed. Naast een vermakelijke, raak verwoorde reeks als `Ik woonde in Oost' staan veel elastiekloze verzen in De verdwijnkunstenaar. Dit geldt vooral voor de in-memoriamverzen die Starik bij de crematie of de begrafenis van familieloze overledenen schreef. Zijn Amsterdamse `Poule des Doods', een dichtersgroep die eenzame uitvaarten begeleidt en van een poëtische groet voorziet, is een onwaardeerlijk initiatief, maar de verzen die bij de kist zo plechtig klonken houden op papier geen stand.

Een straffere selectie zou ik van harte toejuichen. Starik publiceerde eerder dit jaar bij zijn vorige uitgever, In de Knipscheer, al vijfenveertig gedichten in De Grote Vakantie. De twee nieuwe bundels voegen daar ruim honderd verzen aan toe. Dat is veel voor een jaarproductie, zeker als hooguit een derde van de inhoud beklijven wil. In Rode Vlam had ik `Machine zoemt' en `Vertrek' niet willen missen, maar veel andere verzen in deze bundel tonen een te korte incubatietijd. Op zijn sterkst is Starik waar het poëtisch moment in een vloeiend gebaar, ogenschijnlijk zonder redactie, uit de pen of op het beeldscherm kwam. Dit lijkt het geval bij zo'n merkwaardig kleinood als `Begerenswaarde':

Mijn zoon, geducht

bedrijver van liefdadigheden

kwam al kletsend tot een nieuw

liefdadigheidsproduct.

Men neme een steen, zomaar een.

Men gaat bij voorbeeld naar de markt

en vraagt aan iedereen wilt u deze steen

aanraken, het is gratis.

Zo ontstaat de steen, die door iedereen is

aangeraakt.

Een dode steen die, hoe meer hij wordt bevoeld

met energie wordt geladen, waarmee uit

aanraking

begerenswaarde ontstaat, te verkopen voor

een Goed Doel.

Een tekst zoals deze vervreemdt je even van het alledaagse. Zoals ook zijn definiëring van Filet Americain – `een soort van pindakaas/ gemaakt van slachtafval' – in `Ik woonde in Oost' uit De verdwijnkunstenaar een bevrijdend effect heeft. Stariks verzen bieden nu en dan ook details die herkenning oproepen, maar dan wel met een lichte kwartslag die nieuw perspectief biedt. Helaas gebeurt dat te weinig. Te dikwijls lijken de teksten niet voor lezers geschreven. Wie Starik ooit heeft zien optreden als podiumdichter of als zanger van de Willem Kloos Groep, weet dat er dan een andere energie loskomt. Maar hier gaat het om wat op papier gebundeld werd, en bij zoveel gebrek aan selectie lijkt kritische reserve op zijn plaats.

F. Starik: Rode Vlam en De verdwijnkunstenaar. Vassallucci, respectievelijk 75 en 76 blz. beide €16,90

    • Arie van den Berg