Hoe Nederland zichzelf heeft uitgevonden

De `pruikentijd' was veel meer dan een saai, smakeloos gerecht. De historicus N.C.F. van Sas ziet in die periode rond 1800 zelfs de geboorte van de Nederlandse natie en van de moderne politiek. Dat blijkt uit een nieuw boek, de neerslag van een kwart eeuw onderzoek.

Ooit betekende geschiedenisonderwijs vooral les in de canon van de vaderlandse geschiedenis. Na het hoogtepunt van Opstand en Gouden Eeuw volgde in de achttiende eeuw de pruikentijd van malaise en verval, voortgezet in de vroege negentiende eeuw. Daarna brak dan een nieuwe bloeitijd aan, politiek vanaf Thorbecke's grondwetsherziening in 1848, economisch en sociaal-cultureel vanaf het einde van de negentiende eeuw. Specialismen als internationale en regionale geschiedenis, mentaliteits- en vrouwengeschiedenis hebben inmiddels heel andere perspectieven op de geschiedenis geopend en de vanzelfsprekendheid van de nationale canon is verdwenen. Toch verdwijnen oude gewoontes niet snel. De Republiek was in de Gouden Eeuw politiek, economisch en cultureel een grote mogendheid en als buitenlandse historici zich voor Nederland interesseren, richten zij zich nog steeds vooral op die periode. Ook heeft het moeite gekost de periode van `verval' anders te gaan bekijken. Nog aan het einde van de jaren tachtig, toen de patriotse revolutie van 1787 werd herdacht, zag de gezaghebbende historicus E.H. Kossmann in de politieke opwinding van het einde van de achttiende eeuw vooral een flauw gerecht met weinig pit.

Met deze visie, die ook enigszins doorklinkt in Kossmanns standaardwerk De Lage Landen uit 1976, is de Amsterdamse historicus N.C.F. van Sas het hartstochtelijk oneens. Hij heeft zijn carrière gebouwd op de herwaardering van de politiek in de periode 1750-1850, toen de Nederlandse Republiek in de jaren 1780 in een burgeroorlog verzeilde tussen patriotten en orangisten, in 1795 opgevolgd werd door de Bataafse Republiek, die later ingelijfd werd bij Frankrijk, na 1813 een koninkrijk onder Oranje werd en pas met de grondwetsherziening van 1848 een bevredigende vorm vond.

Vijfentwintig jaar publiceert Van Sas al over de periode en het grootste deel van de verspreid verschenen bijdragen heeft hij nu bijeengebracht in een omvangrijk boek. Kleine wijzigingen en een enkele verwijzing naar recente literatuur daargelaten, zijn deze bijdragen niet veranderd. Het nu verschenen boek maakt het mogelijk de geschiedenis van de herwaardering van die periode te volgen. Enkele artikelen over het vroege liberalisme uit de tijd waarin Van Sas in Utrecht aan zijn dissertatie over de internationale positie van Nederland in de jaren 1810 en 1820 werkte, zijn erin opgenomen. Ze willen laten zien dat het beeld van de stille en saaie vroege negentiende eeuw niet klopt: soms was er een levendig politiek debat en niet alles wat de koning wilde, werd zo maar geaccepteerd. Het zijn regelmatig geciteerde, maar in zekere zin conventionele politiek-historische artikelen waarin de invloed van zijn leermeester, de Utrechtse historicus J.C. Boogman, te herkennen is.

Het moment van Van Sas' `doorbraak', zou men kunnen zeggen, kwam na zijn dissertatie. Hij ging zich toen verdiepen in de late achttiende eeuw en stortte zich op de herdenking van de patriotse revolutie, de strijd voor hervorming en revitalisatie van de Republiek in de jaren 1780. Daarmee veranderde niet alleen de inhoud van zijn werk, maar ook zijn stijl die vanaf nu de hem kenmerkende one-liners (`identiteit kent geen tijd') en anachronismen (Erasmus doet de `public relations' van de oude Bataven) bevat. Hij laat zien hoe cruciaal de late achttiende eeuw voor de ontwikkeling van Nederland is geweest. Wat in het verleden wel werd afgedaan als `soldaatje spelen', totdat stadhouder Willem V zijn Pruisische familie inriep om orde op zaken te stellen (1787), wordt in Van Sas' voorstelling burgerzin, politiek activisme en de `uitvinding van de moderne politiek' in Nederland.

Geïnspireerd door nieuwe buitenlandse literatuur over de Franse Revolutie, ging Van Sas op heel andere aspecten van de politiek letten dan gebruikelijk was. In de `moderne' politiek stonden voor het eerst ideologisch gemotiveerde groepen tegenover elkaar die politiek tot een zaak van het dagelijks leven maakten. In de achttiende eeuw was met de Verlichting een `nationale communicatiegemeenschap' ontstaan. Er verscheen een nieuwe politieke opiniepers die deze gemeenschap nu ook politiseerde; van kokardes en vaandels tot koekplanken kozen patriotten en orangisten zichtbaar en in het dagelijkse leven tegenover elkaar partij. Er ontstonden op die manier concurrerende maatschappijbeelden of ideologieën die werden verspreid door de nieuwe weekbladen die als paddestoelen uit de grond schoten. Politiek werd een nationale liefhebberij en de artikelen die Van Sas erover schreef behoren tot zijn beste. Naast breed opgezette stukken over de opiniepers en de nieuwe politiek zelf is er een artikel over de patriottentijd in het radicale Utrecht, dat een moment het centrum van de wereld leek.

Het `patriottisme' was een politieke beweging, maar het woord patriot heeft natuurlijk ook de betekenis van goede vaderlander. In de patriottentijd claimden de leden van één partij de eigenlijke vaderlanders te zijn. In de ogen van de patriotten waren de orangisten klaplopers of, erger nog, `aristocraten', die alleen op eigen voordeel uit waren en het volk vergaten. De patriotten richtten zich op het volk en waren de enige goede vaderlanders. Op deze manier vonden zij volgens Van Sas niet alleen de moderne politiek uit, maar ook het moderne nationalisme. Dat begon dus als oppositiebeweging tegen het (orangistische) establishment.

De ontwikkeling van het moderne nationalisme is een tweede lijn in het boek. In de nieuwe literatuur over het nationalisme die vanaf het begin van de jaren tachtig in het buitenland begon te verschijnen is er niet langer eerst een natie en daarna nationalisme. De volgorde is omgedraaid. Het moderne nationalisme geeft pas vorm aan de natie, die daarvoor niet op die manier bestond. In het Nederlandse geval betekent dit opnieuw een herwaardering voor het einde van de achttiende eeuw. Terwijl vroeger Opstand en Gouden Eeuw golden als begin en hoogtepunt van de Nederlandse natie en 1800 als dieptepunt, bleek nu dat de moderne Nederlandse natie toen eigenlijk pas goed vorm kreeg. Daarbij waren oudere tradities natuurlijk essentieel, maar de gedachte dat `de natie' als hoogste politieke waarde boven alles gaat, ging toen pas werkelijk leven. Pas toen ontstond ook met de eerste grondwet in 1798 de eenheidsstaat die de verbrokkelde Republiek met zijn zeven autonome provincies verving.

Na het oppositionele nationalisme van de patriotten en het missionaire nationalisme dat culmineerde in 1798 liep de ontnuchtering van het revolutionaire radicalisme uit op een derde vorm die Van Sas `vaderlands gevoel' noemt, een vooral cultureel en naar binnen gekeerd eenheidsbesef. Dit vergemakkelijkte in de jaren daarna de verzoening tussen orangisten en patriotten. Nu was het decor gereed voor het koninkrijk onder Oranje. Van de moderne politiek die in de patriottentijd en daarna was `uitgevonden', moest men toen niet veel meer hebben. Die had maar verdeeldheid en uiteindelijk inlijving bij Frankrijk gebracht. Nee, het nieuwe vaderlandse gevoel draaide vooral om eenheid en eensgezindheid, en in deze sfeer viel het niet mee om fatsoenlijk aan politiek te doen. Pas aan het einde van de negentiende eeuw zou weer massaal politiek en nationalistisch engagement ontstaan.

Wie de historische literatuur volgt, zal in het bovenstaande de nieuwe canon van de geschiedenis rond 1800 herkennen. Die is niet alleen het werk van Van Sas, maar zijn belangrijke vernieuwing is geweest dat hij politiek en nationalisme rond 1800 als brede maatschappelijke verschijnselen beschouwt, inclusief de trivialiteiten van politieke hypes. Hij toont dat de politiek door modes beheerst werd, maar daarom moet ze nog wel serieus genomen worden. Politiek is bij hem maatschappelijke beweging, oppositie en vertegenwoordiging. Het is daarom consequent dat hij weinig over het bestuur van de Bataafse Republiek of over koning Willem I schrijft. Meer uitleg behoeft dat hij weinig doet met collectieve acties en de actievormen van massabewegingen. Het rumoer van de kloppartijen uit de patriottentijd klinkt niet luidruchtig door in zijn werk. De verklaring daarvoor is dat hij de vernieuwing van de politieke geschiedenis niet in de sociale, maar in de cultuurgeschiedenis heeft gezocht. Bij de herdenking van de patriottentijd organiseerde hij samen met de kunsthistoricus Frans Grijzenhout tentoonstellingen over culturele parafernalia van de patriotten.

Wezenlijk voor zijn benadering is dat politiek en cultuur onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De keer dat hij in dit boek het heftigst uit zijn slof schiet, is daarom in een bespreking van het mooie overzichtswerk Blauwdrukken voor een samenleving, over de cultuur rond 1800, van zijn Utrechtse collega Wijnand Mijnhardt en de literatuurhistoricus Joost Kloek. Wie van een afstand toeziet, ziet vooral overeenkomsten tussen Mijnhardt en Van Sas, maar Mijnhardt beschrijft de vernieuwing rond 1800 vrijwel exclusief in morele en culturele termen. De politiek bood veel geschreeuw en weinig wol en liep de ontwikkeling van het morele burgerschap hinderlijk voor de voeten.

Van Sas ziet deze voorstelling als een terugval in de oudere geringschatting van de politiek rond 1800. Zijn kritiek op Mijnhardt lijkt me vooral ook van belang, omdat die verder gaat dan de periode rond 1800 alleen. Ook Kossmann vond de patriotten vooral opgewonden standjes. Het staat voor een benadering die in Nederland zeer gangbaar is: politiek is eigenlijk vooral serieus te nemen als bedaard en doordacht bestuur. Daarnaast is er dan ruimte voor culturele en morele bewegingen, maar aandacht voor vertegenwoordiging en voor de politieke strijd tussen vertegenwoordigers, laat staan politiek als opgewonden massabeweging, is er nooit veel geweest. Die hebben we echter wel nodig, minstens als aanvulling, willen we werkelijk begrijpen wat politiek is. Dat geldt voor de tijd rond 1800, maar evengoed voor latere periodes.

Van Sas helpt om periodes van politieke turbulentie in de Nederlandse geschiedenis te beoordelen. Hij toont hoe daarin een nieuwe infrastructuur van informatie en mobilisatie ontstaat en hoe daardoor nieuwe zaken denkbaar worden. Dergelijke periodes heeft Nederland ook aan het einde van de negentiende eeuw, in de jaren zestig en misschien ook nu, na de opkomst en ondergang van Pim Fortuyn, gekend. Ze zijn, soms onaangename, correcties op de vorm van politiek die in de tussentijd regeert en die Van Sas bespreekt onder de noemer `nationalisering van de revolutie'.

Normaal gesproken wordt gestreefd naar consensus en rustig bestuur en dit gebeurde ook weer vanaf 1800. De revolutie werd `genationaliseerd', wat wil zeggen dat ze van polemische inhoud werd ontdaan en acceptabel gemaakt voor alle partijen. In het koninkrijk van na 1813 werd vervolgens ook de politiek genationaliseerd, gedepolitiseerd zou je kunnen zeggen, omdat alle oppositie en onenigheid verdacht waren geworden. De prijs die men in Nederland voor `dit consensus- en geleidelijkheidsmodel voor ``normale'' politieke procedures' betaalt is een eventuele radicale doorbraak, zegt Van Sas, maar vaak was de doorbraak dan al wel voorbereid, zodat de acceptatie ervan niet al te moeilijk was. Ik zou in dit licht benieuwd zijn naar zijn analyse van de gebeurtenissen van 2002, maar de parallel die hij in het voorbijgaan legt tussen de pleidooien voor daadkracht en duidelijkheid van het Thorbeckeaanse liberalisme en die van 2002 lijkt me niet verhelderend. Kenmerkend voor de vernieuwingsbewegingen is altijd het populisme geweest en dat was er bij Thorbecke niet.

Dit zijn niet de vragen die Van Sas allereerst bezighouden. Hij is op en top historicus. Hij is professioneel, schrijft met gezag en zal niet snel te betrappen zijn op geklets over iets waarover hij niet veel weet. Altijd wil hij ook iets betogen: hij is meer betoger dan verteller en dat verklaart deels dat hij geen boeken maar artikelen schrijft. Hij is zich ook zeer bewust van de tradities in het vak. Hij vernieuwt, maar met mate, houdt zijn leermeester Boogman hoog en begint een artikel vaak met een overzicht van de geschiedschrijving tot dan toe. Hij vergeet zijn achtergrond niet en schrijft stukken over Utrecht, waar hij studeerde en werkte, en Zeeland, waar hij vandaan komt. Hij kent de klassiekers uit de geschiedwetenschap en beschrijft het nationaal getinte geschiedwerk van de negentiende-eeuwers Robert Fruin, die zich met precieze artikelen op een intellectueel publiek richtte, en W.G. Brill, een publiekshistoricus die volgens Van Sas een grotere maatschappelijke invloed had. Zou hij tussen de twee benaderingen moeten kiezen, dan kan er geen twijfel zijn hoe de keuze zou uitpakken.

Van Sas' keuze voor artikelen is uit wetenschappelijk oogpunt goed te verdedigen – zeker in Nederland zijn het vaak artikelen die de visie van historici veranderen. Nu publiceert hij die, gegroepeerd rond enige thema's, als boek voor een breder publiek, al nodigt hij de lezer wel uit om in al die artikelen telkens opnieuw te beginnen, wat overigens door de consistentie van de thematiek vergemakkelijkt wordt. Van Sas schrijft dat hij enkele jaren geleden nog niet vond dat het boek af was. Is het nu wel `af' omdat hij op andere thema's overgaat? Hij werkt inmiddels aan een boek over de negentiende eeuw – dus dat zou kunnen.

De korte baan geeft aan sommige beschouwingen iets schematisch. In stukken over Nederlandse `mythes' maakt Van Sas duidelijk dat we die natuurlijk niet voor zoete koek moeten slikken, maar ook weer niet als alleen maar praatjes terzijde kunnen schuiven. Taal schept een eigen werkelijkheid – het gaat volgens Van Sas om een `discours' dat een `traditie' wordt – en mythes die in het leven worden meegenomen, vormen dat leven ook. Ik zou dan nog wel meer uitgewerkte case studies zoals die over de mythe van de Nederlandse `eenvoud' hebben willen lezen die de kracht van mythes inzichtelijk en navoelbaar maken. Daaruit blijkt ook bij uitstek de verschuiving in de functie van de historicus, van fabrikant van mythes naar beschouwer en duider aan de zijlijn, die Van Sas constateert. Lichtelijk schematisch zijn ook de opmerkingen over `moderniteit', `modern' en `modernisering'. Van Sas kent zoals altijd zijn literatuur en realiseert zich de complexiteit van dit soort begrippen, maar het leidt vooral tot een ingewikkelde rondedans. Werd Nederland rond 1800 `modern', of was dat het begin van een `moderniteit' die zich rond 1900 volop ontplooide? En hoe kan het dan dat we in het begin van de eenentwintigste eeuw ook weer met `modernisering' bezig zijn? Maar nadat Van Sas met dit boek de balans van zijn werk tot dusver heeft opgemaakt, zal hij ons vast ook nog eens op een boek trakteren waarin dit duidelijk wordt.

N.C.F. van Sas: De metamorfose van Nederland. Van oude orde naar moderniteit, 1750-1900. Amsterdam Univerity Press, 667 blz. €34,50

    • Henk te Velde