Het universele museum

Het Louvre beleeft een gedaanteverwisseling en maakt plaats voor islamitische en moderne kunst. Directeur Henri Loyrette: ,,Moderne kunst kan de blik op `oude' kunst opfrissen en omgekeerd.''

`Er zijn bezoekers die niets weten van de mythologie rond de maagd Maria. Bij het schilderij Heilige Anna van Da Vinci vragen ze dan wie die `oma' is met die baby op haar arm. Daar kun je om lachen of huilen, het is een realiteit waarmee we rekening hebben te houden – en willen houden. Zo vreemd is het trouwens niet: zeventig procent van onze bezoekers is buitenlander. Japanners zijn niet per se op de hoogte van de christelijke canon. Ze komen voor de Mona Lisa, zien in het voorbijgaan al die madonna's en stellen dan, onbevangen, die vraag. Het verschil in cultuur verklaart niet alles. Zo hebben we gemerkt dat veel mensen niet weten wat het begin van de jaartelling inhoudt. Ze denken dat er voor het jaar 0 niets was. De onwetendheid is, vrees ik, ook te wijten aan het onderwijs.''

Henri Loyrette, directeur van het Louvre-museum in Parijs, geeft maar een voorbeeld van de éducation permanente, die voor hem een `natuurlijk' onderdeel is van de `roeping', de taak van zijn museum. Het Louvre is, zo zegt hij, een wetenschappelijk instituut, maar ook een sociale instelling. Ook is het een `universeel' museum, maar het dient tegelijkertijd rekening te houden met doelgroepen. Het laatste, zo benadrukt Loyrette, past in het streven om zo veel en zo divers mogelijk publiek binnen te krijgen, niet om deelbelangen te dienen.

In zijn sombere werkkamer, een stijlkamer in het Pavillon Molien, aan de kant van de Seine, schetst Loyrette het Louvre van 2020. Vragen laat hij zich moeilijk stellen. Zijn spreektempo ligt hoog en, al naar gelang het onderwerp, wisselt hij de bevlogenheid van de historicus af met de zakelijkheid van de manager. Het Louvre is óók een bedrijf.

Loyrette (1952) werd in 2001 benoemd tot president-directeur van de `publieke instelling van het Louvre', zoals het museum sinds 1993, toen het een beperkte autonomie verwierf, officieel heet. De benoeming was het voorlopige hoogtepunt van een opmerkelijke carrière. Hoewel dienstjaren nog altijd zwaar wegen in de Franse museumwereld, werd de rijzige Loyrette, zoon van een vooraanstaand advocaat, op 22-jarige leeftijd al aangesteld als Conservator van het Erfgoed, een nationale instelling vergelijkbaar met de Nederlandse Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

In 1978 werd hij, hoewel opgeleid als historicus, conservator in het nog maar net geopende Musée d'Orsay, voor kunst uit de tweede helft van de negentiende eeuw, waar hij zich aanvankelijk bezighield met architectuur. Hij werd er in 1994 aangesteld als directeur. Anders dan zijn flamboyante voorganger Pierre Rosenberg, die zichzelf alleen al vereeuwigde door de rode sjaal die hij altijd droeg, heeft Loyrette geen specialisme dat hem de `natuurlijke' directeur van het Louvre maakt. Rosenberg was specialist in het Franse classicisme. Hij kwam bovendien, met een veertigjarige carrière binnen het museum, uit het Louvre zelf voort. Loyrette is autodidactisch kenner van het impressionisme en met name van Degas, van wie hij een biografie schreef.

Verstikken

Dagblad Le Monde liet bij zijn benoeming niet na te wijzen op zijn `betrekkelijk lichte universitaire bagage' – daarmee impliciet verwijzend naar zijn goede komaf en het netwerk van zijn vader. Maar het elite-kind Loyrette heeft bewezen de onorthodoxe methodes niet te schuwen. Het gerucht dat het Musée d'Orsay valse Van Goghs in zijn collectie had, drukte hij de kop in door de omstreden schilderijen tentoon te stellen en publiekelijk door de wetenschappelijk dienst van het Louvre te laten analyseren. En hij was nog maar nauwelijks benoemd in het Louvre of hij verweet de minister van Cultuur, die hem had aangesteld, openlijk het museum te verstikken.

Loyrette licht toe: ,,Het ging en gaat mij niet om onafhankelijkheid. Een museum als het Louvre kan wegens zijn omvang en zijn nationale belang nooit voortbestaan zonder steun van de staat. De bemoeienis van de overheid en daarmee van de politiek met dit museum is logisch en zelfs gewenst: de grote verbouwingsprojecten die permanent plaatshebben zouden anders domweg niet gerealiseerd kunnen worden. Maar het beheer vereist wel een zekere, gegarandeerde vorm van autonomie, die we niet bij iedere gelegenheid opnieuw moeten hoeven bevechten.''

Zo wilde Loyrette zeggenschap over het personeel. ,,Bij mijn aantreden viel dit nog volledig onder het ministerie. Het gevolg daarvan was dat, zoals de Rekenkamer vaststelde, gemiddeld meer dan een kwart van de ruim vierhonderd zalen voortdurend gesloten was. Sinds anderhalf jaar valt het hele personeel onder mijn directe verantwoordelijkheid en zijn er minder zalen gesloten. In 2006 mag nog maar tien procent van de zalen dicht zijn.''

Het Louvre, dat met zijn 60.000 vierkante meter aan expositieruimte doorgaat voor het grootste museum ter wereld, is volgens Loyrette met `bijna geen ander museum' te vergelijken. ,,Het vertoont nog de meeste overeenkomsten met het Hermitage-museum in Petersburg. Het gaat in beide gevallen om een voormalig koninklijk paleis en om een van oorsprong koninklijke collectie. Het Metropolitan Museum in New York heeft dezelfde taakstelling, maar het kan betrekkelijk gemakkelijk uitbreiden. Dat kunnen wij niet, wij zitten in het keurslijf van dit historische complex. Het klinkt raar, maar we kampen met ruimtegebrek.''

President Jacques Chirac kondigde in 2002 een nieuwe, speciaal aan de islam-kunst gewijde afdeling aan, die vorig jaar inderdaad werd ingesteld. Plaats was er niet. Een poging om de Marsan-vleugel aan de Rue de Rivoli, waar de Union Centrale des Arts Décoratifs (toegepaste kunst) gevestigd is, te annexeren, mislukte. Uiteindelijk komt nu in de Cour Visconti, een binnenplaats van de Denon-vleugel aan de Seine-zijde, een uitbreiding van twee verdiepingen. Kosten: vijftig miljoen euro.

De uitbreiding is een van de laatste fasen van het `Grand Louvre', een operatie die in 1983 onder het presidentschap van François Mitterrand begon en die veel aandacht trok door de bouw van een nieuwe ingang, de gewaagde Pyramide van architect Ming Pei. Door de in 1989 geopende Pyramide en ondergrondse uitbreiding en dankzij een investering van in totaal 1,2 miljard euro werd het Louvre twee keer zo groot.

,,Het `Grand Louvre' gaat gebukt onder zijn succes. Het oude Louvre ontving jaarlijks drie miljoen bezoekers, de Pyramide is berekend op anderhalf miljoen meer, maar het zijn er inmiddels zes miljoen. Het is een probleem, maar ook een niet-onprettig gevolg van een politieke ambitie. Ten aanzien van de islamkunst geldt hetzelfde. Uiteraard zit er een sociaal-politieke kant aan de wens van de president, gezien de vijf à zes miljoen inwoners van Noord-Afrikaanse en Arabische afkomst die Frankrijk telt. Ook zij moeten zich kunnen identificeren met het Louvre. Dat betekent niet, dat je toegeeft aan `communautarisme', het bedienen van particuliere belangen ten koste van het algemene belang. Het ligt veeleer in de sfeer van de begeleidende teksten die we voor een tentoonstelling van Algerijnse prenten behalve in het Frans ook in het Engels en Arabisch hebben laten vertalen.

,,Niet alleen kunnen we de politieke ambitie ten aanzien van de herwaardering van islamkunst billijken, we zien vooral ook het kunsthistorisch voordeel ervan in. We krijgen de middelen om eindelijk onze rijkdom op het gebied van de islam te tonen. Die is vergelijkbaar met die van de Met en van het British Museum in Londen. Het Louvre bezit een collectie islamitische kunst, met een grote geografische spreiding van Spanje tot Indiaas Mongolië en van de zevende eeuw tot aan het einde van het Ottomaanse rijk.

Dwarsverbanden

,,Dankzij het Franse koloniale verleden bezit het Louvre een van de mooiste collecties islamkunst, maar van de ruim tienduizend stukken kunnen er nu slechts dertienhonderd tentoongesteld worden. Straks, naar we hopen eind 2008, als de Cour Visconti opengaat, zal dat aantal oplopen naar vierduizend stukken, op een oppervlakte van drieduizend vierkante meter. We zullen thema-tentoonstellingen kunnen organiseren, waarin we de dwarsverbanden tussen `westerse' kunst en die van de islam kunnen laten zien. De ene zowel als de andere is eigenlijk niet te begrijpen zonder elkaars context en er zal blijken hoezeer de islamitische kunst in haar hoogtijdagen andere culturen heeft beïnvloed. Het museum in zijn geheel wordt er universeler door.''

De nadruk die Loyrette legt op het universele karakter van het Louvre is pikant, omdat zijn voorganger Pierre Rosenberg fel gekant was tegen een eveneens door Chirac gewenste afdeling `primitieve' kunst, juist omdat het museum volgens hem niet universeel is. De afdeling kwam er – als voorloper van het aan etnografische kunst gewijde museum dat architect Jean Nouvel op dit moment aan de Quay Branly bouwt en dat in 2006 opengaat.

,,Het universele uitgangspunt is niet absoluut en wisselt met de tijd en met de uitbreiding van de collectie. Onder Napoleon werd het Louvre ook al universeel genoemd, terwijl de collectie toen voornamelijk Europees van oorsprong was. Van de Nederlanden tot Italië, met een beetje Spanje. De rest van de wereld en zelfs Scandinavië en de Slavische landen `bestonden' niet. Dat is nu natuurlijk niet meer vol te houden.

,,Het gaat nu en in de toekomst vooral om een herverdeling van taken en specialismen. Musée d'Orsay bestrijkt de periode van 1850 tot begin twintigste eeuw. Ik heb er geen zeggenschap over, maar met het voortschrijden van de tijd zal die periode ongetwijfeld verlengd worden, want hoe lang blijven de vroegste stukken `hedendaagse' kunst in de collectie van het Centre Pompidou nog hedendaags? Het Louvre zal 1850 altijd als tijdgrens blijven hanteren, maar onze collectie en taakstelling vertoont onvermijdelijk raakvlakken met die van het nieuwe Musée Branly en het in Aziatische etnografische kunst gespecialiseerde Musée Guimet. Zeker is al wel de afdeling `primitieve' kunst van Branly in het Louvre blijft.''

Ondanks de afgebakende periode die het Louvre bestrijkt, gaat het zich op initiatief van Loyrette ook toeleggen op moderne kunst. Hij heeft er een speciale conservator, Marie-Laure Bernadac, voor aangesteld. ,,Het Louvre gaat zich opnieuw bezighouden met moderne kunst, want het gaat om een traditie die ik nieuw leven wil inblazen. Door de verschillende musea is er een fysieke scheiding tussen kunstperiodes, die in werkelijkheid natuurlijk niet bestaat. Het gaat om één doorlopend verhaal en daarom kan moderne kunst de blik op `oude' kunst opfrissen en omgekeerd. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Picasso hier zalen ingericht en heeft Georges Braque een driedelig plafond vervaardigd in de Henri II-zaal. De Pyramide van Pei is zelf ook een voorbeeld van de verhelderende dialoog tussen oud en nieuw. Het gaat wel steeds om een reactie van hedendaagse kunstenaars op de collectie van het Louvre, ze moeten daardoor geïnspireerd zijn en dat laten zien.''

Mecenaat

In april stelde het Louvre van de Spaanse schilder Miquel Barcelo al op de Goddelijke Komedie van Dante geïnspireerde aquarellen tentoon. Barcelo selecteerde daarbij zelf uit het museumdepot tekeningen en gravures rondom het thema `hel en paradijs'. In november opent de eerste editie van `Contrepoints' – dat jaarlijks herhaald zal worden met steeds wisselende kunstenaars. Het gaat om een over het hele museum verspreide expositie van een tiental kunstenaars.

De eerste editie wordt gerealiseerd door onder anderen Gary Hill en Jean-Michel Othoniel (afdeling Oosterse antiquiteiten), José-Marie Sicilia die een tegelvloer aanbrengt in de oude islam-afdeling in de Richelieu-vleugel, en Christian Boltanski die net opgegraven gebruiksvoorwerpen tentoonstelt in het middeleeuwse gedeelte van het museum. Van Maurizio Cattelan wordt op het terras van de Denon-vleugel een sculptuur aangebracht.

Deze nieuwe activiteit, maar ook bijvoorbeeld de website, waarop op termijn alle 35.000 geëxposeerde stukken uit de meer dan 400.000 nummers tellende collectie van het Louvre te raadplegen zal zijn, wordt bekostigd met donaties. Loyrette: ,,We hebben de steun van het bedrijfsleven nodig, naast de grote subsidies van de staat. Wij hebben tien mensen in dienst die zich met werving van sponsorgeld bezighouden, tegenover zestig bij het Metropolitan. Het mecenaat is veranderd. Het gaat allang niet meer om de gril van een directeur, maar om een door alle werknemers gesteund en gekend beleid. De medewerkers van Crédit Lyonnais, dat samen met Accenture onze website bekostigt, hebben in het kader van het sponsorcontract allemaal een toegangspas. Het Louvre is in zekere zin hun huis en dat is voor alle partijen prettig.''

Bezwaren en gevaren ziet Loyrette `in geen enkel opzicht'. ,,De regels liggen vast, daarover onderhandelen behoort niet tot de mogelijkheden. Bedrijven sluiten aan bij door ons bedachte projecten. Zelf plannen bedenken is niet aan de orde. Als tegenprestatie krijgen ze een logo, een receptie. Er is 15 jaar geleden weleens een auto tentoongesteld in de toegangshal onder de Pyramide, tijdens een ontvangst. Dat is een grens. Er zal er nooit een in het museum zelf te zien zijn. Wie dat zou willen, stuit op een muur.''

    • Pieter Kottman