Het paradijs moet wel dichtbij zijn

Van de Duitse romanticus Friedrich Schlegel is de uitspraak dat ieder mens een roman in zich draagt. Maar, zo voegde hij eraan toe, het is niet nodig dat iedereen zijn roman ook daadwerkelijk schrijft. Een verstandige raad, die wat mij betreft ook zou mogen gelden voor de familieroman die wij allen met ons meedragen. Wie geen zin heeft om over zichzelf te schrijven, kan altijd nog terecht bij vader en moeder, broers en zusters, grootouders, ooms en tantes. Jammer genoeg wordt wat binnen de familiekring zo boeiend, vreemd en pittoresk leek, voor de buitenwereld al gauw vervelend. Om wildvreemde lezers te boeien is ook nog iets anders vereist.

Lucette ter Borg, kunstredacteur van Vrij Nederland, moet zich hiervan bewust zijn geweest, toen zij haar romandebuut Het cadeau uit Berlijn schreef. Blijkens het nawoord is deze roman voortgekomen uit een `zoektocht' naar de familie van haar grootmoeder. Maar als de schrijfster het niet zelf had gemeld, dan zou ik nooit op het idee zijn gekomen dat het verhaal over Andreas Landewee, een Duitse houtvester en rentmeester (vóór de Tweede Wereldoorlog in het Tsjechische Bohemen en daarna in West-Duitsland), iets met haar familie heeft uit te staan. Alle reden dus om Het cadeau uit Berlijn gewoon als roman te benaderen.

Beethoven

Met het `cadeau uit Berlijn' is de Bechsteinvleugel bedoeld, die Andreas' tweede vrouw Elisabeth, bij leven en welzijn een beroemd sopraan in Duitsland, ooit heeft gekregen. Van wie? Daar wordt een beetje geheimzinnig over gedaan, al is eigenlijk van meet af aan duidelijk dat de gulle gever niemand minder is geweest dan Adolf Hitler. Elisabeth had de strofen uit Schillers Ode an die Freude aan het slot van Beethovens Negende zo mooi gezongen dat de Führer haar spontaan deze vleugel had geschonken, voorzien van het opschrift `Dank en Bewondering'.

Later vernemen we dat hij er ook nog zijn naam bij had laten zetten, maar die is door Andreas verwijderd. Een symbolische daad, typerend voor deze hoofdpersoon. Want Andreas heeft wel meer verwijderd (uit zijn blikveld, uit zijn geheugen) dat hij niet kon gebruiken of waar hij geen raad mee wist. Zowel in de privé-sfeer als in het publieke leven.

Zo lijkt de hele geschiedenis min of meer aan hem voorbij te zijn gegaan, terwijl het drama daarin toch niet ontbrak: Andreas en de zijnen behoorden tot de Sudeten-Duitsers, zij hebben geprofiteerd van de nazi-bezetting van Tsjechoslowakije en zijn in 1945 uit hun Heimat verdreven. Bijna even onverschillig heeft hij zijn eerste, ongelukkige huwelijk 38 jaar lang verdragen – totdat Elisabeth, zijn grote liefde, in zijn leven kwam. Waarna hij vrouw en kinderen in de steek liet, zonder lang stil te staan bij hún gevoelens daarover. Andreas, het kan de lezer moeilijk ontgaan, is een man die niet alles ten volle tot zich laat doordringen.

Wanneer de roman begint, is hij, 76 jaar oud, zojuist geëmigreerd naar Canada, om bij zijn zoon Wolfgang te gaan wonen, midden in de wilde, nog vrijwel ongerepte natuur. Over de jaren in Canada krijgen we veel te horen. Want bij de natuur, bij het woud, heeft Andreas altijd zijn toevlucht gezocht; met de bomen en de dieren blijkt hij, zowel toen als nu, veel beter overweg te kunnen dan met de geschiedenis of met zijn gezin.

Zijn andere toevlucht is de muziek, die hem zowel herinnert aan zijn geliefde moeder (óók een zangeres) als aan zijn gehate vader en diens rondreizende orkest. Zijn passie voor Beethoven is van hém afkomstig. Maar alles valt pas op zijn plek nadat Andreas Elisabeth heeft ontmoet, met wie hij in zekere zin zijn diepste oedipale verlangens bevredigt. Want zij heeft wel erg veel weg van zijn moeder, terwijl Hitler (met schuurpapier en zwarte verf van de vleugel en dus uit zijn leven verwijderd) min of meer dezelfde plaats inneemt als Andreas' vader. Niet toevallig zegt deze vader (op wie Andreas natuurlijk ook een beetje lijkt) dat Beethoven `een boek (is) waar alles met alles samenhangt'.

Rottende zalmen

Het geldt eveneens voor Canada, waar natuur en muziek samenkomen. Het woud is overal rondom en de vleugel van de inmiddels (net als mama) aan kanker gestorven Elisabeth staat in Andreas' cabin. Geen betere combinatie lijkt denkbaar, en dus moet het `paradijs' wel nabij zijn. Andreas haalt zich in het hoofd dat zijn kinderen bij hem in Canada moeten komen wonen. Om te beginnen zullen ze arriveren voor het feest van zijn negentigste verjaardag, dat hij op de laatste bladzijde inluidt met een pianobewerking van Beethovens Negende.

Het paradijs berust – vanzelfsprekend – op een illusie: de kinderen willen helemaal niet naar Canada, de natuurlijke idylle wordt verstoord door de Canadese houtindustrie, en hoe fraai Andreas ook de toetsen aanslaat, de harmonieuze vreugde die hij verwacht zal hem niet deelachtig worden. Op je negentigste wenkt het paradijs hooguit na de dood – die er onherroepelijk aankomt, zoals de rottende zalmen in de rivier al suggereren.

Ziedaar het verhaal van deze Andreas. Het is aardig bedacht, maar ook al sluit ik niet uit dat sommige dingen zich werkelijk zo in grootmoeders familie hebben afgespeeld, dát het bedacht is verlies je geen moment uit het oog. Daarvoor heeft de schrijfster het veel te schematisch in elkaar gezet, met de opzichtige freudiaanse parallellen tussen Andreas' moeder en Elisabeth, met de even simpele als illusoire tegenstelling tussen natuur en geschiedenis, en met Beethovens Negende als muzikaal rijggaren. Om zoveel schematiek te doen vergeten, hadden de personages (Andreas voorop) als springlevende, intrigerende karakters van het papier moeten springen, rechtstreeks de verbeelding van de lezer in.

Helaas gebeurt dat nauwelijks. Hoewel Lucette ter Borg niet slecht schrijft, blijft haar verhaal, zowel inhoudelijk als stilistisch, ingetogen, keurig, een beetje vlak. Op haar best is zij in de beschrijvingen van Andreas' en Wolfgangs dagelijkse omgang met de Canadese natuur, de afwisseling der seizoenen, de dieren in het bos, hun voortdurende inspanningen om huis en haard leefbaar te houden. Dat elementaire bestaan weet zij veel overtuigender op te roepen dan Andreas' jeugd of diens familieleden, van wie niemand de kans krijgt om meer te worden dan een schim.

Dat laatste strookt misschien met het lichtelijk autistische perspectief van Andreas, maar voor de aantrekkingskracht van de roman blijkt het een groot nadeel. Je kunt op papier wel even onder de indruk raken van de natuur, maar het lang blijven valt niet mee, zelfs niet als de hoofdpersoon er met alle geweld een `paradijs' in wil zien.

Lucette ter Borg: Het cadeau uit Berlijn. Cossee, 269 blz. €18,90