Geen oog voor je kinderen

Laatst kwamen er bij mij in de tuin twee jonge houtduifjes uit een boom vallen. Door een storm was hun nest weg. Kwamen hun ouders bezorgd kijken hoe het ze verging? Welnee. Ze zagen ze niet eens.

Hun bloedeigen jongen zagen ze niet meer staan. Wel zaten die grote houtduiven met een scheef hoofd te kijken waar het nest was gebleven. Steeds maar weer gingen ze naar die plek hoog in de boom. Even kijken of het toch nog was teruggekomen. Maar hun koude, verregende jongen onder de boom, die ze die middag nog hadden zitten voeren nee, die zagen ze niet. Een jong is pas een jong als het in je nest zit, zo hoort dat volgens duiven.

Raar hoor. En dat terwijl duiven zulke goede ogen hebben. Ze zien echt als de besten. Maar wat ze denken of voelen bij wat ze zien, gaat heel precies volgens een agenda. Ze houden zich netjes aan het programma in hun hoofd. Nestjongen zitten in het nest. Een paar weken later kunnen die al een beetje in de buurt rondstruinen en kijk, dan zijn ook die ouders zo ver dat ze iets in ze zien buiten het nest. Dan herkennen ze ze heel goed. Maar voor deze ouders was het nog te vroeg. Hun jongen waren nog niet zo ver, dus zij ook niet.

Ik heb die duifjes dus maar naar binnen gehaald en verzorgd. Grijze mormeltjes zijn het, met reuzensnavels en wapperend geel dons. Die heel veel eten willen hebben, en dat dan het liefst in hun veren smeren. Op hun ouders, die weer vrolijk door de tuin stampten, was ik behoorlijk boos. Dom, dom, dom, mopperde ik tegen ze, heen en weer rennend met voer en ondergepoept papier.

Dat was niet eerlijk. Want aan hun jongen merkte ik dat houtduiven helemaal niet dom zijn. Ze weten soms juist heel goed wat ze zien. Toen die hele kleine jonkies iets groter werden, leerden ze hun nieuwe nest heel goed herkennen. Dat was een simpel bruin schaaltje, niets opvallend aan. Maar waar ik dat ook neerzette, hoog of laag, binnen of buiten, ze wisten het steeds terug te vinden. Dat is wel knap. Want normaal gaat een duivennest natuurlijk niet alle kanten op, een huis in en dan weer naar buiten.

Naar mij keken ze haast elke dag weer met andere ogen. Eerst herkenden ze alleen mijn handen, als nepouders waar voer uitkwam. Later leerden ze dat die handen bij een heel mens hoorden. Toen piepten ze ook naar me als ze die handen niet zagen. Maar alleen als ik heel dicht bij hun nest was. En nu? Nu zijn ze alweer duivenpubers. Ze zwerven steeds verder rond, gaan al bijna echt uitvliegen. Nu herkennen ze me ook al van heel ver.

Je kunt het dom vinden dat duiven soms niet meer zien dan normaal gesproken nodig is, volgens hun eigen programma. Maar het is ook wel weer slim, als je maar kleine hersens hebt. Zo geef je die niet al te veel te doen. Ondertussen vind ik trouwens wel dat die jonkies wat slimmer rondkijken dan die ouders. Maar dat zie je wel bij meer dieren. Of bij mensen, maar dat wist je al.

    • Frans van der Helm