De ster komt van rechts

Cabaretiers werken tegenwoordig veel met een regisseur. Ruut Weissman schreef een boek over cabaretregie. ,,Zelfs een liedjesprogramma zet ik op als een Griekse tragedie.''

De drie theaterprogramma's die Thomas Acda en Paul de Munnik tot dusver hebben gemaakt, werden uitgestippeld op de keukenvloertegels van hun regisseur Ruut Weissman. Eén tegel stond model voor een verhaallijn die via een andere tegel overliep in een andere verhaallijn, waarna een derde tegel een liedje was dat de intrige verder moest verduidelijken. ,,Zo dansten we nachtenlang met ons drieën door de keuken om onszelf en elkaar duidelijk te maken hoe de voorstelling in elkaar zat'', schrijft Weissman. ,,Geen hond heeft echter ooit een structuur vermoed, laat staan begrepen. Niet het publiek, niet de pers, hooguit een slimme collega. Dat hoefde ook niet. Het was een handvat voor mij als regisseur en voor Thomas en Paul als spelers. Het was een middel en geen doel.''

Ruut Weissman (49) is artistiek leider van de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstakademie, cabaretregisseur en auteur van het boekje De kunst van het bedriegen dat deze week verscheen. Het gaat over de manier waarop een cabaretier zichzelf op het podium tot theaterpersonage transformeert – hij is het en hij is het niet, hij speelt zichzelf – en over de functie die een regisseur daarbij kan vervullen. Weissman verlucht zijn betoog met pakkende voorbeelden. Zoals wanneer hij het verschil tussen cabaret en overig amusement beschrijft: ,,Toegespitst op theater trekt de amusementskunstenaar Hans Teeuwen een smoking aan om het publiek te verwarren, terwijl de entertainer Lee Towers een smoking aandoet om zijn publiek te behagen.''

Cabaretregie is een vak met weinig geschiedenis. De groten van vroeger, Toon Hermans, Wim Kan en Wim Sonneveld, waren hun eigen regisseurs. Net als de jongeren die in hun voetsporen traden: eerst Seth Gaaikema en Paul van Vliet, en later Freek de Jonge en Youp van 't Hek. Ensembles als Lurelei en Tingel Tangel engageerden hooguit iemand met choreografische vaardigheden die de nummers in beweging bracht, maar dat was alles. Van inhoudelijke regie is eigenlijk pas de laatste twee decennia sprake. Al zijn er op zijn minst twee levensgrote verschillen met de toneelregie. Het werk van een cabaretregisseur begint al als er nog geen letter tekst op papier staat. En ook de hiërarchie is niet vergelijkbaar: terwijl een toneelregisseur aan het hoofd van de voorstelling staat – en zelfs acteurs kan ontslaan als ze niet in zijn concept passen – staat een cabaretregisseur in dienst van de cabaretier(s). Het is de cabaretier die een regisseur in de arm neemt, en niet andersom.

Messcherp

Het gevolg is ook, weet Weissman, dat een cabaretregisseur in de kritieken nauwelijks aandacht krijgt. ,,Maar daar zit ik niet mee'', zegt hij monter, ,,omdat ik begrijp hoe het komt. Een buitenstaander kan niet zien wat mijn rol is geweest. Bij een toneelregisseur gaat het om een bestaand stuk waarop hij zijn visie geeft. Bij een cabaretregisseur niet. Een paar keer heb ik in kritieken op totaal onterechte gronden op mijn sodemieter gehad. Omdat ik iemand zou hebben ,,overgeregisseerd'' bijvoorbeeld. Maar zoiets kan een criticus nooit weten, die ziet niet wat van mij is en wat de cabaretier zelf heeft ingebracht. Ik denk wel eens dat mijn invloed groter is dan die van een toneelregisseur, maar dat ziet geen mens.''

Op de vraag naar een voorbeeld noemt hij De grote drie, het laatste programma van het uiterst succesvolle trio de Vliegende Panters. ,,Om te beginnen'', zegt hij, ,,hebben we lang gepraat over wat ons bezielde en wat er op dat moment aan de hand was, met de opkomst van Fortuyn, destijds. In zo'n voorbereidingsfase worden vaak zwaarmoedige gesprekken gevoerd. Het klinkt wat pathetisch, maar dan kan het er echt heftig aan toegaan – over Het Leven en zo. Vervolgens maken we er een pretpark van. Eerst gingen de jongens nummers schrijven. Flauwekul vaak, dingen die er niets mee te maken hadden. Daarmee begonnen ze te try-outen, een minuut of twintig in kleine zaaltjes, zodat ze alvast wat materiaal hadden. Na een paar weken zijn we weer bij elkaar gaan zitten, om te screenen of er nog enig verband was met datgene wat we ooit hadden bedacht. Daarna zijn ze wéér gaan schrijven, maar nu binnen de kaders van het programma dat er moest komen. En dan is er de try-outfase, waarin we steeds maar bezig zijn de zaak messcherp te krijgen.''

In zijn boekje schrijft hij over een eerder Panters-programma dat tijdens de try-outs nog een persiflage op Acda en De Munnik omvatte. Zelf was het drietal er zeer gelukkig mee, maar Weissman vond het ,,niks''. Hij schoof het voortdurend naar een andere plek in de voorstelling, waar het nummer telkens niet goed bleek te passen. Tot de Panters hem op een avond, drie dagen voor de première, suggereerden het maar weg te laten. Weissman antwoordde dat dat een goed idee was. ,,Je moet als regisseur en pedagoog je ego onder het tafelkleed houden'', aldus zijn relaas. ,,Cabaretiers en acteurs willen graag het gevoel hebben dat ze het allemaal zelf bedacht hebben.''

Zelf speelde Ruut Weissman – na de Kleinkunstakademie – als pianist mee in het toenmalige kindercabaret Potvoordrie en in een soloprogramma van Frans Halsema. Vier seizoenen lang leidde hij een eigen cabaretgroep, en in 1983 stond hij in het ensemble van de musical Fien. ,,Daarna ben ik gestopt met optreden, gewoon omdat ik mezelf niet goed genoeg vond. Ik weet nog dat ik zat te figureren in een scène die zich in café Schiller afspeelde, waar Gerard Cox elke avond een fantastische opkomst maakte – zó sterk, dat ik dacht: dat zou ik nóóit zo kunnen. En tijdens een duetje dat ik met Jasperina de Jong had, stond ik alleen maar te denken: wat doet die vrouw dat goed... Dan ben je dus niet geschikt voor dat vak. Ik heb het ook nooit meer gemist.''

Hij werd directeur van de Kleinkunstakademie, en kreeg in 1991 in Frankrijk, min of meer bij toeval, het verzoek een voorstelling te regisseren bij het Théâtre National de Chaillot van zijn held Jerôme Savari. ,,Daarna kwam ik thuis met de gedachte dat ik zoiets wel vaker wilde doen. En toen belde Paul de Leeuw: of ik zijn komende programma Pluk mij wilde regisseren.''

Amateurisme

Allengs werd Weissman een veelgevraagd cabaretregisseur, die intussen heeft samengewerkt met Lenette van Dongen, Jasperina de Jong, Jenny Arean, Karin Bloemen, Jan Jaap van der Wal, Wende Snijders, het absurdistenduo Droog Brood en veel anderen. En al doende heeft hij zich dat nieuwe vak eigen gemaakt. ,,Als ik me afvraag'', zegt hij, ,,wat ik destijds als pianist bij Frans Halsema heb ik geleerd, is het antwoord: helemaal niks. Met alle waardering voor Frans als artiest, maar als ik naga hoe zo'n voorstelling in elkaar werd gezet – dat was je reinste amateurisme. We hadden totaal geen theatrale, dramaturgische knowhow. Het ging alleen maar op intuïtie: dan een mooi liedje, en daarna weer iets om te lachen. Eerlijk gezegd denk ik dat Frans nu, als hij nog leefde, ontzettend veel van mij zou kunnen leren.

,,Wat voor mij een eye opener is geweest, was een orkestrepetitie die ik een keer op de radio hoorde met Haitink. Wat hij tegen het orkest zei, was in feite heel dramaturgisch. Als muziekliefhebber hoor je die dingen nooit letterlijk terug in het concert, maar je voelt wel de dynamiek die je meesleept. Zo is het in een cabaretvoorstelling óók. Zelfs een tour de chant, een liedjesprogramma, probeer ik nog op te zetten als een Griekse tragedie met, om te beginnen, een exposé. Weliswaar abstract, maar toch: dan weet de artiest in elk geval waar hij staat. Dat beïnvloedt ook het lichtplan. Vroeger kreeg je na elk los nummer een black-out. Maar alleen een black-out aan het slot van het exposé is veel beter. Daarna kan het verhaal beginnen.''

Zijn inspiratie haalt Weissman uit veel verschillende bronnen, zegt hij. ,,Als ik Freek de Jonge of Hans Teeuwen of Theo Maassen zie, kijk ik vanuit bewondering voor wat ze doen. Maar niet om me te laten inspireren voor een regie die ik ga doen. Dat heb ik wel bij een regisseur als Marthaler, of bij een dansvoorstelling van Anna Teresa de Keersmaeker. Dan weet ik opeens weer hoe ik iets moet doen, terwijl het niets met cabaret te maken heeft.'' In zijn boekje vertelt hij dat hij Paul de Leeuw zelfs meesleepte naar een beeld van Rodin, van een moeder met stervend kind: ,,Je voelt de pijn, maar je ziet die niet.'' In de vertaling van Weissman: het verschil tussen ontroering en sentiment.

Soms is het echter aanzienlijk eenvoudiger een knelpunt uit de weg te ruimen: ,,Paul speelde een voorstelling met het combo van Cor Bakker, en aan alles merkte ik dat er iets niet lekker zat in de mise-en-scène. Het klopte niet. Tot ik op een keer bij Paul thuis was. Normaal gesproken schreef hij al zijn teksten op de computer. Maar nu zat hij met de hand te schrijven, wat ik hem nog nooit had zien doen, en opeens zag ik dat hij linkshandig was. Ik heb toen die hele mise en scène omgegooid, andersom gemaakt, omdat zijn kracht aan de andere kant bleek te zitten. Van de vraag of iemand van links of van rechts moet opkomen, kan ik trouwens nachten wakker liggen. Het is van wezenlijk belang. Ga maar na: mijn idool Randy Newman komt altijd van links op – hij is de underdog. Jasperina komt op van rechts – zij is de star.''

Per seizoen neemt hij één grote regie aan, en maximaal twee kleinere. ,,Als ik ja zeg, is er meestal nog niets. Ik kies dus voor mensen met wie ik affiniteit heb, mensen met een goed gedachtegoed. Een paar keer heb ik me laten verleiden tot een commerciële regie, voor het bedrijfsleven. Dan zit je te vergaderen met de lui van de raad van bestuur, en dan zegt een van die mannen: we hebben in Les Misérables gezien dat er dan een klein jongetje opkomt – dat willen wij óók. Dat doe ik nooit meer, daar word ik zeer ongelukkig van. En tv-regie doe ik evenmin; dat is een wereld vol nitwits en talentlozen. Helaas is het zo dat bij de talentlozen meestal het geld zit. Gelukkig heb ik de school, die me na aan het hart ligt. Als ik een regie aanneem, maak ik daar ook altijd goede afspraken over: als er op school onverhoopt iets mis zou gaan, heeft dat prioriteit.''

Ruut Weissman: De kunst van het bedriegen. Nijgh & Van Ditmar, €14,95

    • Henk van Gelder