Dane Zajc maakt een nieuwe tong van aarde

Begin oktober wordt bekendgemaakt wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Welke taal is aan de beurt? Na het Nederlands, Turks en Ests ons vierde voorstel: het Sloveens.

e Slovenen schrijven hun geschiedenis niet aan de hand van hun oorlogshelden, maar aan de hand van hun dichters'', stelde de Oostenrijkse schrijver Peter Handke ooit. Handke, zelf geboren in Karinthië, waar een deel van de bevolking nog Sloveens spreekt, slaat de spijker op de kop. Voor zo'n kleine taal – pakweg twee miljoen sprekers – heeft het Sloveens een uitzonderlijk aantal grote dichters opgeleverd. Daar is een eenvoudige reden voor: de gemeenschappelijke taal was voor de Slovenen, die nooit een zelfstandige staat hadden tot 1991, de meest fundamentele, bepalende factor in hun nationale identiteit. Literatuur, en met name poëzie, was het podium waar die identiteit zich vrijelijk kon manifesteren, en vormde tegelijkertijd een soort substituut voor onafhankelijkheid.

Zo kon het gedicht `De heildronk', van de grote romantische dichter en strijder voor onafhankelijkheid France Prešeren (1800-1849), uitgroeien tot hét symbool van de Sloveense natie, en is het sinds 1989 de officiële tekst van het volkslied. Maar zelfs een ontoegankelijke dichter als het jonggestorven wonderkind van de Sloveense avant-garde, Srecko Kosovel (1904-1926), werd gezien als icoon van het verzet tegen de Duitse en Italiaanse bezetters in de Tweede Wereldoorlog – er werd zelfs een partizanenbrigade naar hem vernoemd. Na de oorlog werd de Sloveense poëzie opnieuw een bastion van verzet, nu tegen het Joegoslavische centralisme en de communistische ideologie. Tientallen dichters, onder wie tal van grote namen, keerden zich ieder op hun manier tegen de esthetische dictaten van het sociaal-realisme.

De allergrootste van die nu nog levende grote Sloveense dichters is Dane Zajc. Dat is niet alleen zo volgens zijn collega-dichters en critici, maar ook volgens de populaire opinie, en die combinatie, zoals een criticus schreef, is bijzonder zeldzaam in de literatuur. Zajc, geboren in 1929, publiceerde naast zo'n 24 dichtbundels ook toneelstukken, kinderboeken en sprookjes.

Waarin schuilt het geheim van Zajc? Een eerste hint ligt misschien in zijn optredens, die een legendarische status hebben gekregen. Een zo'n optreden vond plaats in Rotterdam op het Poetry International Festival 2001. De dichter, klein van stuk, grijs en bebaard, kwam langzaam door de donkere zaal aanlopen, begeleid door de weemoedige klanken van de Bosnische accordeonist, muzikant en toneelspeler Janez Škof. Als een begrafenisstoet van twee personen trokken de mannen, in het zwart gestoken, kaarsrecht, waardig, naar het podium, waar ze beurtelings een gedicht declameerden en zongen – in het Sloveens is het woord voor `lied' en `gedicht' een en hetzelfde. Het effect was magisch. Zajc droeg zacht, langzaam en indringend voor, terwijl hij recht in het publiek keek, en Škof vertolkte met een diepe, rauwe stem Zajcs teksten als waren het eeuwenoude duistere volksliedjes:

De grote zwarte stier brult in de ochtend.

De zon in het oosten scherpt

het glanzende slagersmes.

Vervreemding

Wie erbij was, vergeet het nooit meer. De France Prešeren Club in Ljubljana, april 1994. Rotterdam, 2001. Jaren later wordt er nog over gepraat, met nauwelijks verholen ontzag. Want Zajc op een podium is de vleesgeworden poëzie. En wat voor een poëzie!

Het is ontegenzeggelijk een wreed universum dat wordt opgeroepen in Zajcs gedichten. Zijn grote thema's – existentiële vervreemding, sterfelijkheid, eenzaamheid, stilte, pijn, liefde, geweld en het niets – werkt hij uit in even lyrische als rauwe gedichten, waarin het menselijk lot genadeloos wordt blootgelegd. Zajc gebruikt daarvoor beelden uit de natuur – dieren, stenen, as, vuur, sneeuw, wit, aarde – die tijdloos, mystiek en soms haast archaïsch overkomen, maar ze hebben niets lieflijks of sentimenteels:

Je bent niet in de stem van de wind,

niet in de verspreiding van de bergen,

je bent niet in de bloesem,

en als de vogels roepen,

roepen ze niet jou,

je bent niet in de naaktheid van de aarde,

niet in de zware geur van gras,

en als je rozen plant, om voor jou te geuren,

geuren de rozen naar zichzelf,

en als je een weg aanlegt, dan zal de weg je over

zichzelf vertellen,

en als je een huis optrekt, als je het vult met

kostbare voorwerpen,

dan zal het je op zekere dag ontvangen als een

vreemdeling

en de voorwerpen zullen in hun taal spreken

tot zichzelf, lachend om jou.

(uit: `Je bent niet')

De mens is echter niet alleen het onschuldige slachtoffer, maar tegelijkertijd ook, of zelfs juist, een levensgevaarlijke dader.

Op zekere dag zullen de dingen hun namen

veranderen,

dan zal de steen haat zijn,

de winter bedreiging,

de weg zal angst zijn, de vogels zullen de

schroeiende klauwen

van hun stemmen in je voorhoofd slaan,

de rivier zal wanhoop zijn,

de voorwerpen worden jouw misdaad

en jouw aanklagers.

De wereld zal vernietigd zijn.

De wereld zal geen naam meer hebben.

(uit: `Je bent niet')

Doordat de mens zijn verbondenheid met de rest van schepping is kwijtgeraakt, is ook echte communicatie onmogelijk geworden, en rest slechts een harde, onverschillige wereld. Zajc beschrijft deze existentiële en spirituele vernietiging in beknopte, kale verzen, soms met het ritme van een gebed of bezwering, in steeds herhaalde woorden die zo vervreemden van hun eigen betekenissen. Slechts de liefde kan die verpletterende leegte even opheffen. Dan bestaan er, hoe kortstondig ook, eenheid, connectie, veiligheid:

Het licht dat door je lichaam schijnt

zal door mijn lichaam en door

mijn botten stromen.

En ik zal niet langer bestaan.

En er is alleen nog maar jij.

Want jij bent de tong in mijn mond.

Doet hij in zijn preoccupatie met stilte en ontkenning enigszins denken aan Paul Celan, in andere opzichten heeft Zajc meer weg van de Britse dichter Ted Hughes. Vooral de `Crow'-gedichten van Hughes lijken afkomstig uit hetzelfde poëtisch universum als Zajc: een meedogenloos, gewelddadig oord, doortrokken van noodlot en mythen, en slechts bewoond door wilde dieren. Beide dichters paren hun sobere verzen aan eenzelfde emotionele intensiteit. Een andere geestverwant lijkt de Amerikaanse dichter Stephen Crane, met zijn surrealistische beelden, existentiële angst en nihilisme.

Maar het is de vraag of Zajc deze dichters wel heeft gelezen. Hij verklaart zelf in zijn jeugd vooral door `de Russen, de Russen, de Russen' te zijn beïnvloed, en noemt daarbij zulke uiteenlopende namen als Jesenin, Poesjkin, Lermontov en Anna Achmatova. Ook George Trakl en Baudelaire brachten inspiratie.

Boerenzoon

Het is verleidelijk om in Zajcs zwartste verzen de invloed te lezen van zijn vroegste levenservaringen. Zajc werd in 1929 als boerenzoon geboren op een hoeve in het afgelegen bergdorp Zgornja Javors, zo'n veertig kilometer van Ljubljana. In 1944 komen twee oudere broers die voor de partizanen vechten om het leven, overlijden zijn vader en grootvader, en wordt de ouderlijke boerderij platgebrand door de nazi's. ,,De angst die in de kinderspelletjes sloop, heeft me getekend'', zei Zajc erover. ,,Ik ervoer de vergankelijkheid van de wisseltruc die ons ertoe brengt om in het leven te geloven.''

In 1947 publiceert hij zijn eerste gedichten. Een paar politieke uitlatingen leiden ertoe dat hij van het gymnasium wordt gestuurd en als `verbale delinquent' drie maanden in eenzame opsluiting doorbrengt. Hij mag niet meer naar de universiteit, maar moet twee jaar het leger in. In 1955 vindt Zajc een baan als bibliothecaris van de jeugdboekenafdeling van de Pionier-bibliotheek in Ljubljana, waar hij tot zijn pensioen zal blijven.

Intussen schrijft hij zijn dichtbundels, toneelstukken, kinderboeken, en is hij oprichter en redacteur van diverse tijdschriften, zoals het invloedrijke Revija 57, dat het existentialisme introduceerde in Slovenië. Zijn eerste bundel, Pozgana trava (Verschroeid gras), moest hij in 1958 uitbrengen in eigen beheer. Geen uitgeverij waagde zich eraan, waarschijnlijk wegens een door merg en been gaand gedicht over de zinloze dood van zijn broer (hiernaast afgedrukt), een gedicht dat inmiddels tot het collectieve Sloveense geheugen behoort.

Natuurlijk zou Zajc geen waarlijk grote dichter zijn geworden als hij niet meer te bieden had dan een diep-pessimistich wereldbeeld, vervat in loodzware regels die erin worden gehamerd als nagels aan een doodskist. In zijn tweede bundel uit 1961, Jezik iz zemlje (Taal van aarde), vindt de dichter een uitweg voor het vuur dat hij in zich draagt. Zoals hij schrijft in `Bal van as' (hiernaast afgedrukt): ,,Daarom gooi je de verroeste sleutel weg.// Daarna maak je een nieuwe tong van aarde./ Een tong die woorden spreekt van grond.''

Een nieuwe kans op verbondenheid met het zijn wordt hier geboden; een nieuwe authenticiteit die de zelfgemaakte `taal van aarde' in zich draagt. Het zou een vergissing zijn om dit gedicht slechts te interpreteren als kritiek op het communisme en de censuur – daarvoor zijn de existentiële en poëtische consequenties te verstrekkend. Bovendien schrijft Zajc nooit `politieke gedichten', zoals hij altijd weer benadrukt in interviews. `Bal van as' is niets minder dan programmatisch, en draagt de kiem van heel Zajcs latere oeuvre in zich.

Het is deze compromisloze toewijding aan de poëzie, en niets dan de poëzie, in een regio waar, om Danilo Kiš te citeren, de `homo poeticus' langzaamaan is vervangen door de `homo politicus', die Dane Zajc niet alleen tot de meest substantiële, maar ook de enige werkelijk Nobel-waardige dichter uit Slovenië heeft gemaakt.

Eerdere afleveringen en volledige lijst Nobelprijswinnaars via www.nrc.nl

    • Corine Vloet