Alleen tevreden met de luiken dicht (Gerectificeerd)

De vader van Boudewijn Büch was een jood die Duitsland in de jaren dertig had verlaten, om samen met zijn vrouw (`een Italiaanse jodin') te vluchten voor het fascisme. Later moest hij als RAF-piloot in de Tweede Wereldoorlog zijn eigen geboortestad bombarderen. Hij raakte ernstig getraumatiseerd door de oorlog. Toen in de jaren zeventig de discussie over de vrijlating van de Drie van Breda oplaaide, pleegde hij zelfmoord. Büch riep zijn vrienden bij elkaar om een stichting op te richten die zijn miljoenenerfenis kon beheren. De geschiedenis van Büchs vader kent wat variaties. In 1983 heette hij een `Poolse jood' te zijn, in 1986 een `Duitse jood' en in 1995 een `Russische jood'. De gebombardeerde geboortestad veranderde van Jena in Dantzig in Dresden.

`Verslag van een mystificatie' luidt de ondertitel van het boek dat Vrij Nederland-journalist Rudie Kagie deze week publiceerde over de schrijver, journalist en televisiemaker Boudewijn Büch, die twee jaar geleden overleed. Dat `mystificatie' lijkt een understatement voor de schier onontwarbare brij bekentenissen, verzinsels, leugens, fabels en inbeeldingen die Büch bij zijn dood naliet. Of het nu ging om zijn vader (in werkelijkheid een Haagse gemeenteambtenaar met een klein verzetsverleden die stierf aan een hartaanval en zijn zoons ieder 763,48 gulden naliet), zijn opleiding (`Drs. Drs. Boudewijn Maria Ignatius Büch M.L.S. ISDD, c.m. psychofarmacohistoricus'), zijn beroep, zijn seksuele geaardheid, zijn maoïsme of zijn relatie tot het jongetje Boudewijn Iskander Pronk en diens moeder – over alles fabuleerde Büch. Maar niet áltijd, en juist dat maakt zijn levensverhaal zo aangrijpend. Want je ziet hoe dwangmatig zijn liegen is en hoe hij zijn vrienden één voor één de deur uit jaagt. Aan het einde van zijn leven zat Büch, als hij niet voor de televisie op reis was, meestal thuis aan de Keizersgracht met de luiken dicht, eigenlijk alleen op zijn gemak tussen zijn boeken en exotische parafernalia, waarvan de partijen volgende week worden geveild.

Kagie is niet de enige biograaf van Büch en ook niet de enige die haast heeft gemaakt. Vorige week verscheen al Weg uit Wassenaar. Een tocht door het leven van Boudewijn Büch van de Brabantse Büch-bibliograaf Frans Mouws, dat in grote lijnen hetzelfde verhaal vertelt. Beide boeken concentreren zich op het leven van Büch in de tijd vóórdat hij een televisieberoemdheid werd. Wel blijft zijn werk als serieus (universiteits-)journalist onderbelicht, zoals het door Büch in het Amsterdamse Folia civitatis aangezwengelde protest tegen de promotie van filosoof Eldert Willems op diens eigen gedichten (onder de titel Arph) in 1990. Van de twee boeken, die bescheiden geen `biografie' worden genoemd, is dat van Kagie toegankelijker, vollediger en beter. Mouws' Weg uit Wassenaar is wat onbeholpener, maar de ontwapenende inkijkjes in het onderzoek van de auteur (die zijn motor in Amsterdam-West zonder slot op straat durfde te laten staan) maken het bijzonder sympathiek.

Veel personen komen in beide boeken aan het woord, maar Mouws deinst soms terug. Zo doet alleen Kagie uitgebreid verslag van zijn gesprek met Boudewijn Iskander Pronk, de jongen die werd vereeuwigd in De kleine blonde dood. Al tijdens Büchs leven werd vrij algemeen aangenomen dat dat relaas over een jonggestorven kind fictie was, maar die mystificatie was niet louter literair. Want ook tegen zijn vrienden zei hij over Boudewijn Pronk (in werkelijkheid de zoon van een getrouwde vriendin) dat het zijn kind was en – later – dat deze was overleden. In werkelijkheid was de diepste ervaring van Büch en de kleuter een gezamenlijk bezoek aan Artis, waarna het kind in een café op het spijkerjasje van Büch had overgegeven. Eind 1975 vertelde Büch dat het kind ernstig ziek was, in januari 1976 kwam hij met de doodstijding. Büch was oprecht ontroostbaar, zeggen zijn toenmalige vrienden ook nu nog. Op de crematie wilde hij alleen zijn, een vriend betaalde zestig gulden voor een urn. De betrokken familie raakte pas op de hoogte van het verhaal toen Büch erover begon te schrijven. Overigens zou Büch over de moeder later beweren dat zij zelfmoord had gepleegd omdat zij de film De kleine blonde dood niet kon verdragen. Ze was al een jaar eerder overleden.

Te midden van alle mystificaties en daaruit voortvloeiende zaken (zoals het faillisement van Büch in 1978 – mede door onbetaalde boekenrekeningen) rijst uit de twee boeken wel een goed beeld op van de persoon Boudewijn Büch. Als kind in Wassenaar was hij misdienaar en op de lagere school gold hij als briljant. Op de middelbare school ging het minder goed, vooral omdat hij geen discipline kon opbrengen. Via gymnasium en hbs belandde hij op de mulo. Op het Bonaventura Lyceum deed hij van zich spreken als hoofdredacteur van de schoolkrant De vonk, die hij van een stencilblad omtoverde tot een gedrukte krant op tabloidformaat.

Zijn slechte schoolresultaten hingen waarschijnlijk samen met de scheiding van zijn ouders in 1963. Hierna wierp Boudewijn zich op als een vaderfiguur voor zijn jongere broers, maar zelf zocht hij vaak het gezelschap van andere gezinnen. Daar was hij wegens zijn verhalen, voorlijkheid en opmerkelijke eruditie een zeer welkome gast.

De talenten van Büch werden al vroeg ontdekt. Schrijver en leraar Nederlands Sipke van der Land werd door Boudewijns moeder in 1966 om een oordeel over het werk van haar zoon gevraagd – en die zag een schrijver in hem. Een neef van Van der Land beoordeelde de poëzie van de jongeman en `adviseerde de jonge dichter om een door hem aanbeden jongeman in sommige verzen te vervangen door ,,God of zo'.' Die raad werd niet opgevolgd: Büchs eerste echte dichtbundel ging over zijn liefde voor een jongetje bij hem in de straat: Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs (1976). De meeste sprekers in de boeken van Kagie en Mouws zijn het erover eens dat de dichtkunst het grote (en verwaarloosde) talent van Boudewijn Büch was.

Hoewel hij waarschijnlijk nooit ingeschreven stond bij een universiteit, beleefde Büch een onstuimige `studententijd' in Leiden, compleet met seks, drugs, rock & roll en ruzie in een wooncommune. Hij leefde op grote voet, vaak met geleend geld. Hoewel hij later uitweidde over zijn militante maoïsme, was Büch vooral actief voor homo-emancipatieblaadjes zoals Proefding, het orgaan van de Federatie van Studentenwerkgroepen van Homoseksualiteit. Hij draaide ook mee in `spreekuren' voor jongeren met problemen.

In het Leidse milieu gold Büch als biseksueel. Volgens Kagie leidde hij een losbandig seksueel leven, tot hij in Bernadette Galis in 1974 `de liefde van zijn leven' vond. Met haar woonde hij enkele jaren samen en zij is een van de weinige oude vrienden met wie het contact, zij het met horten en stoten, bleef bestaan. In gesprek met Kagie beschrijft ze hoe Büch nog tot kort voor zijn dood het zei te betreuren dat ze niet meer bij elkaar waren.

Die opmerking staat in het eerste deel van het boek, maar verwondert allang niet meer tegen de tijd dat je bij het einde van dit levensverhaal bent aangekomen. Kagie beschrijft secuur hoe Büch steeds rijker en beroemder werd. Dat gun je de hoofdpersoon van harte, al zie je net zo goed hoe hij óók steeds eenzamer wordt. Zelfs de vrienden die hij maakte in de televisieploegen waarmee hij op reis ging, gaven er uiteindelijk de brui aan. Tegen het einde van zijn leven had Büch het liegen redelijk in de hand, maar er waren ook niet mensen meer over om nog tegen te fabuleren. Kagie haalt Büchs broer Patrick aan, die zich liet voorlichten over de pseudologia fantastica van Boudewijn. Die was `vastbesloten om uiteindelijk zijn zelfuitgeschreven wedstrijd met de werkelijkheid te winnen'. Dat die wedstrijd niet te winnen was, maken deze twee boeken over Büch pijnlijk duidelijk.

Rudie Kagie: Boudewijn Büch. Verslag van een mystificatie. Prometheus, 240 blz. €16,95 Frans Mouws: Weg uit Wassenaar. Een tocht door het leven van Boudewijn Büch. Aspekt, 240 blz. €17,95

Rectificatie

Promotie

In het artikel `Alleen tevreden met de luiken dicht' over Boudewijn Büch (Boeken, 17.09.04) stond een onjuist jaartal. De filosoof Eldert Willems promoveerde niet in 1990 op Arph, een analyse van zijn eigen gedichten, maar in 1978.

    • Arjen Fortuin