Weersta de lokroep van lage belastingen

Bij het aantrekken van investeringen moet het kabinet niet concurreren met lagere belastingen maar met kwaliteit, menen Steven Brakman en Harry Garretsen.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceerde onlangs nieuwe gegevens over het forensenverkeer in Nederland. Eens te meer blijkt dat onze grote steden de economische centra vormen waarin mensen niet alleen graag wonen en werken, maar die ook van heinde en ver forensen aantrekken. De aantrekkingskracht van de allergrootste steden is in het hele land voelbaar en leidt elke ochtend tot de files op de bekende knelpunten. Dergelijke agglomeratiepatronen doen zich niet alleen op de relatief kleine schaal van steden voor, maar ook op landen- of wereldniveau. Clusters van bedrijvigheid vormen aantrekkelijke vestigingsplaatsen en de nieuwkomers vergroten de aantrekkelijkheid. Achter dit haasje-overeffect gaat een belangrijk economisch inzicht schuil dat de in politiek Den Haag in zwang zijnde pleidooien voor beleidsconcurrentie tussen nationale overheden in een ander daglicht plaatst.

De heersende beleidsmode is dat een aantrekkelijk vestigingsklimaat vooral wordt gekenmerkt door lage kosten. Werkgeversvoorzitter Schraven sprak onlangs nog over een gezonde beleidsconcurrentie binnen Europa, en hij doelde hierbij niet alleen op ons nationale stokpaardje, de loonmatiging, maar in het bijzonder op een lagere vennootschapsbelasting. De regering heeft blijkbaar goed geluisterd. Staatssecretaris Wijn heeft al laten weten dat in de Miljoenennota zal worden aangekondigd dat de vennootschapsbelasting wordt verlaagd, en zo staat het ook in het concept van 10 september dat al in de ministerraad is besproken en dat in het bezit van NRC Handelsblad is. Het kabinet ziet belastingconcurrentie als een effectief instrument om Nederland aantrekkelijker te maken als vestigingplaats voor internationale bedrijven. Links Nederland ziet daarentegen vooral het gevaar van dit soort beleidsconcurrentie en het wil binnen Europa afspraken maken om te voorkomen dat landen met de hoogste eisen aan het milieu, veiligheid of arbeidsomstandigheden de internationale concurrentieslag zullen verliezen. Over één ding zijn links en rechts het blijkbaar eens: mobiele bedrijven dwingen ons tot een goedkoopte-strategie van kostenminimalisatie. Nederland als de eerste de beste supermarkt verwikkeld in een prijzenslag met andere landen om de rond(s)hoppende bedrijven aan zich te binden.

Het CBS laat in zijn studie met eenvoudige forensen-landkaartjes onbedoeld zien dat de praktijk weerbarstiger is dan deze vermeende prijzenslag suggereert. De meesten van ons wonen in de stad, waar het vuil is, de huizenprijzen hoog zijn, en er veel in de file wordt gestaan, terwijl het in noord-oost Groningen in alle opzichten goedkoper is. Toch is er geen grote trek naar Doodstil in de provincie Groningen.

Binnen Europa blijven de grote, centraal gelegen landen ondanks vaak relatief hoge belastingtarieven aantrekkelijk als vestigingsplaats voor bedrijven. Bedrijven verhuizen blijkbaar niet zonder meer als de belastingtarieven een paar procent hoger zijn dan in omringende landen. Zowel voor hen die de belastingconcurrentie toejuichen (rechts) als voor hen die haar vrezen (links), is dit een raadselachtige uitkomst. De aantrekkelijkheid van de centra van economische activiteit wordt blijkbaar ook nog door andere factoren bepaald. De belangrijkste factor in dit verband is afstand. Juist in het tijdperk van globalisering blijkt dat afstand cruciaal is en blijft dat ook bij het begrijpen van vestigingsgedrag. Het gaat hierbij om afstand tot de markt, de leveranciers en werknemers, waarbij de kosten van afstand het laagst zijn als iedereen boven op elkaar zit. De aantrekkelijkheid van een gebied wordt aldus vooral bepaald door het aantal mensen dat er woont en hun inkomen. Als de afstand tot de toeleveranciers van goederen klein is, kunnen transportkosten laag zijn. Het cruciale inzicht hierbij is dat `geografie' door de mensen zelf gemaakt wordt en niet al van tevoren vaststaat. De vestiging van een nieuw bedrijf in de Randstad maakt de Randstad nog weer wat aantrekkelijker, meer mensen krijgen een baan, het regionale inkomen stijgt verder, waardoor de regio voor een ander bedrijf nog weer wat aantrekkelijker wordt. Wat op regionaal niveau binnen een land geldt, geldt ook tussen landen. Er ontstaat een zichzelf versterkend proces, waardoor het voordeel van de agglomeratie verder en verder toeneemt. Dit verklaart ook waarom regionale steun aan Oost-Groningen, het zuiden van Italië en, meer recent, de voormalige DDR, weinig zoden aan de dijk zet. De omliggende centra blijven domweg te aantrekkelijk om tot massale verhuizing naar deze perifere gebieden over te gaan.

Wat betekent dit voor de overheid? De overheid kan met haar vestigingsbeleid dit agglomeratieproces mogelijk beïnvloeden door te zorgen voor een aantrekkelijk woon- en werkklimaat. Daarnaast moet geïnvesteerd worden in goede verbindingen met het achterland. Het ministerie van Economische Zaken heeft dit begrepen door tot woede van de drie noordelijke provincies te pleiten voor meer steun voor de reeds sterke economie van de Randstad ten koste van het noorden. Deze keus voor investeren zou Nederland ook in internationaal verband moeten maken. Dat moet natuurlijk worden gefinancierd en dergelijke investeringen verdragen zich dan ook slecht met lagere belastingen.

Toch zullen bedrijven in zo'n geval niet spoorslags vertrekken naar buitenlandse belastingparadijzen. Agglomeratievoordelen, die juist mede het gevolg zijn van de bedoelde investeringen in de fysieke en sociale infrastructuur, maken het mogelijk dat centra van economische activiteit zich hogere belastingen kunnen veroorloven. Zolang deze voordelen na belasting hoger zijn dan bij de buren, is er niets aan de hand. In enquêtes onder multinationale ondernemingen scoort de vennootschapsbelasting als vestigingsplaatsfactor dan ook meestal niet erg hoog.

Door, zoals nu gebeurt, te zeer de nadruk te leggen op de hoogte van belastingen bij de discussie over het vestigingsklimaat, verliest men al te gemakkelijk uit het oog dat overheden ook op een andere manier met elkaar concurreren, namelijk door investeringen in de kwaliteit van vestigingsplaatsen. Dat belastingen in aantrekkelijke regio's of landen dan mogelijk wat hoger zijn dan elders, is dan eerder een signaal van een gunstig vestigingsklimaat dan van te hoge lokale kosten. Of, in termen van de prijzenslag onder supermarkten, bedrijven die op zoek zijn naar gunstige vestigingsvoorwaarden, kiezen vaak niet voor de goedkoopste locatie maar zij gaan voor kwaliteit en dat mag best wat meer kosten.

Steven Brakman en Harry Garretsen zijn respectievelijk hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en aan de Universiteit Utrecht.

    • Steven Brakman
    • Harry Garretsen