Geef burger een gidsje met Europese plekken

De nationale vlag gaat in top. Het volkslied klinkt. De ene gouden-medaillewinnaar kijkt strak voor zich uit. De ander neuriet zachtjes mee of brengt een hand naar zijn hart. Het is een tafereel dat miljoenen televisiekijkers konden waarnemen tijdens de Olympische Spelen in Athene. En straks weer, tijdens het paralympisch vervolg van de Spelen. De kans is groot dat dergelijke beelden vanuit de kantoorpaleizen in Brussel met jaloezie worden gadegeslagen. Daar, in Athene, gebeurde immers wat aanhangers van de Europese eenwordingsgedachte hun eigen ikonen toewensen: dat de Europese vlag, het Europese volkslied en andere zaken die van de nationale staat werden gekopieerd, iets van de affectie en aanhankelijkheid oproepen die tijdens grote sportevenementen zoals in Athene zichtbaar worden. Iets, maar ook weer niet te veel. De Europese Unie is niet opgericht om het ene nationalisme te verruilen voor het andere.

Maar zelfs dat `iets' is te hoog gegrepen. De ontwikkeling van het Europese bewustzijn bij de burger bleef achter bij het tempo waarin het bestuurlijk bouwwerk in Brussel is voorzien van symbolen en instituties. Zelden wikkelen mensen zich in de Europese vlag zoals sportfanaten met hun nationale vlaggen doen. Bij elke Europese verkiezing, de vijfjaarlijkse poging om de Europese volkswil uit te drukken, komen minder mensen naar de stembus.

De pogingen tot nog toe om dit probleem te verhelpen, hebben een nogal Brussels en dus topdown-achtig karakter. Ze gaan bovendien voorbij aan de oorzaak van het gebrek aan aanhankelijkheid aan Europese symboliek. Bovendien zouden ze beter gebruik kunnen maken van interessante historische stromingen in de lidstaten om de identiteit van Europa te versterken.

De leegte van de Europese symboliek kreeg in 2001 de naam `iconografisch deficiet' mee. Een gezelschap van onder anderen architecten, wetenschappers en vertegenwoordigers van de Europese Commissie en het toenmalig Belgisch voorzitterschap vroeg zich af of het mogelijk was alternatieve ikonen te ontwikkelen die Europeanen wel inspireren. De Nederlandse architect Rem Koolhaas, één van de aanwezigen, en zijn denktank AMO ontwikkelden een reeks alternatieve Europese symbolen. De bekendste daarvan is de Europese vlag uit 2002 met de `barcode' waarin de kleuren van alle nationale vlaggen uit de Unie zijn verwerkt. De vlag was bedoeld om de diversiteit van Europa uit te drukken, maar wekte in Europese media vooral afschuw op (,,Noemt u dit een vlag? Een strandstoel zult u bedoelen.''). Vanaf deze week zijnde barcode en andere alternatieve symboliek te zien op een tentoonstelling in Brussel.

Dit deel van de tentoonstelling is een even creatieve als moeizame onderneming. De ikonografische hocus-pocus heeft immers veel weg van de `bedachte' benadering waarop de EU het patent heeft. Het probleem is niet of de Europese vlag strepen dan wel sterren moet bevatten, of dat de symbolen genoeg uitdrukking geven aan de diversiteit van Europa. Het probleem is de afwezigheid van loyaliteit aan het Europese idee zelf.

Wie is er bereid te sterven voor de Europese Unie, vroeg de Ierse classicus Benedict Anderson zich al meer dan twintig jaar geleden af in zijn studie naar `verbeelde gemeenschappen' (1983). Anno 2004 heeft zijn vraag niets van zijn retorische lading verloren, ondanks het feit dat de vraag officieel is afgeschaft. Het Europese project wordt gedragen door een prachtig idee (welvaart, tolerantie en vrede) waarvoor niet gestorven hoeft te worden (`nooit meer oorlog'). Europeanen die naar slagvelden worden gestuurd tijdens een vredesmissie – bijvoorbeeld in Irak – gaan niet in naam van Europa, maar voor het afdwingen van algemene westerse waarden zoals de opbouw van democratie, een veilige samenleving en respect voor mensenrechten.

Europeanen mogen dan in 1991 (Verdrag van Maastricht) de Europese nationaliteit hebben gekregen, in de praktijk voelen velen zich, behalve Nederlander, Est of Oostenrijker, minstens zo sterk westerling. Dat geldt vooral als het politieke debat, zoals nu, gedomineerd wordt door vragen over de relevantie van westerse waarden zoals liberale democratie, scheiding van kerk en staat, gelijkheid tussen man en vrouw, en de toelaatbaarheid van ingrepen in vroeg menselijk leven.

Wie toch op zoek gaat naar de specifieke waarde van Europa, zonder zich veel illusies te maken over zoiets als Europese passie bij de burger, komt vanzelf bij diens – vaak tastbare – verleden uit. De opleving van historisch besef overal in Europa biedt een kans om van onderop en niet van bovenaf het gemeenschappelijk verleden te verankeren. De laatste decennia zijn in diverse Europese landen zogeheten lieu-de-mémoire-projecten van de grond gekomen. De Franse historicus Pierre Nora bedacht het concept zo'n vijfentwintig jaar geleden, omdat hij wilde voorkomen dat de Fransen hun geschiedenis zouden vergeten. Hij produceerde een serie beschrijvingen van grote momenten, nationale symbolen, feesten, historische conflicten en Franse hebbelijkheden en onhebbelijkheden.

Het concept sloeg aan, en niet alleen in Frankrijk. Het is inmiddels overgenomen door Duitsland en – zij het in gewijzigde vorm – in Nederland. Ook de zoektocht van de journalist/schrijver Geert Mak naar het gemeenschappelijk verleden van Europa is in feite een lieu-de-mémoire-product.

Een Europa dat in zichzelf gelooft, wijst een gezelschap historici aan dat hierop voortborduurt en de lieux-des-mémoires van het continent aanwijst. Daarbij horen momenten en plaatsen die verbonden zijn aan de naoorlogse eenwording, maar ook momenten uit de eeuwen daarvoor. Het project hoeft niet te blijven steken in slagveldmorbiditeit of Auschwitzfetisjisme. De Thomaskirche in Leipzig waar de eerste Mattheüs Passion werd opgevoerd, of Voltaires Parijse werkplek kunnen er als basis van Europa's geestelijke, religieuze en culturele trots eveneens in worden opgenomen.

Een Europa dat de binding met de Europeaan wil vergroten, maakt deze plekken bekender en toegankelijker voor het grote publiek. Waarom geen Europees lieux-des-mémoires-gidsje als vast onderdeel van uw ANWB-reispakket? Het was mooi voor Europa dat de Duitse kanselier Schröder een paar maanden geleden in Warschau was om daar de opstand van de inwoners van de stad tegen de nazi's in 1944 te herdenken. Maar het was nog mooier geweest als even eerder, op de historische datum van 1 mei, een nieuwe snelweg was geopend van Berlijn naar Warschau, de totaal vernietigde stad die met bloed, zweet en tranen weer is opgebouwd. Een Europesere plek valt er bijna niet te bedenken.

Kees Versteegh is redacteur van NRC Handelsblad.

    • Kees Versteegh