Duurzaam wantrouwen jegens Iran

Het IAEA buigt zich weer over de Iraanse nucleaire plannen. Het ziet ernaar uit dat er opnieuw een ultimatum aan Teheran zal worden gesteld.

Het Internationale Atoomenergie Agentschap (IAEA) maakt zich op Iran een laatste kans geven plechtig te verklaren af te zien van uraniumverrijking. Waarschijnlijk wordt een termijn van enige weken genoemd waarbinnen Iran met deze toezegging moet komen. Weigert Iran dan kan het IAEA de kwestie voorleggen aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Dat is volgens het persbureau AP de strekking van twee ontwerpresoluties die door de Amerikanen en Europeanen in de IAEA-beheersraad zijn opgesteld. Volgens AP verschillen de resoluties vooral in de toon waarmee met een gang naar de Veiligheidsraad wordt gedreigd. De Amerikanen willen Iran al een jaar voor de Veiligheidsraad brengen, Europa ziet meer in dialoog. Het IAEA vergadert sinds maandag over Iran maar schortte de besprekingen gisteren op voor onderhands overleg.

Onduidelijk is of van Iran wordt verlangd dat het voorgoed afziet van uraniumverrijking. In een overeenkomst die oktober 2003 met Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië werd gesloten verklaarde Iran de verrijking van uranium te zullen opschorten (`suspend'). Hoe lang werd in het midden gelaten. AP hanteert nu de term `freeze'.

Formeel vergadert de 35-koppige beheersraad van het IAEA deze week over het zesde rapport dat IAEA-inspecteurs over hun controlewerk in Iran hebben opgesteld. Dit rapport, dat op 1 september uitkwam, sprak in welwillende termen over de opstelling van Iran. De IAEA-inspecteurs werden de laatste maanden overal toegelaten, zij het soms met enige vertraging. Ze hebben tot dusver geen aanwijzing gevonden dat Iran aan een kernwapen werkt. Integendeel, voor tekenen die daarop wezen was inmiddels een `plausibele' verklaring gevonden.

Tussen de regels maakte het rapport bekend dat Iran 37 ton gezuiverd uranium-erts (yellow cake) wilde omzetten in uranium-hexafluoride. Dat is de voeding voor gascentrifuges waarmee uranium wordt verrijkt. De Amerikanen zien dit als een bewijs van Irans kwade trouw.

Wantrouwen jegens Irans nucleaire bedoelingen bestaat er sinds augustus 2002. Voordien gold het land als een betrouwbaar lid van het verdrag tegen verspreiding van kernwapens (NPV), waarbij het zich in 1968 aansloot. Iran bezat een Amerikaanse researchreactor die onder IAEA-controle stond en bij Bushehr werkten sinds 1995 Russen aan de voltooiing van een kerncentrale waarmee het Duitse KWU was begonnen. De Russen wilden ook gascentrifuges voor uraniumverrijking leveren maar zagen daar onder Amerikaanse druk vanaf. De splijtstof voor Bushehr zal kant-en-klaar door Rusland geleverd worden.

In augustus 2002 onthulde een Iraanse gewapende oppositiegroep dat Iran een groot, geheim nucleair programma had voor de ontwikkeling van een kernwapen. Na aanvankelijke ontkenning en halfhartige bevestiging erkende Iran in februari 2003, toen IAEA-chef ElBaradei in Teheran was, dat er gewerkt werd aan de bouw van gascentrifuges (bij Natanz) en aan een fabriek voor zwaar water (bij Arak). Maar het was een civiel project, aldus Teheran. En omdat er nog niet uranium was verwerkt was er geen sprake van een schending van het NPV.

Maar IAEA-inspecteurs die nadien Iran bezochten verzamelden veel ongunstige aanwijzingen, ook over importen van uranium uit het buitenland. Vooral het nut van de zwaarwaterfabriek bleef onduidelijk. In mei 2003 gaf Iran daarvoor opeens een verklaring: het land wilde een tweede onderzoeksreactor (de IR-40) bouwen en die zou zwaarwater als koelmiddel gebruiken. Zwaarwaterreactoren werken op onverrijkt uranium.

De verdenkingen tegen Iran werden zo sterk dat de IAEA-beheersraad half september vorig jaar besloot Iran nog uiterlijk zes weken (tot 1 november) de tijd te geven om met volledige opening van zaken te komen. Tien dagen voor het verstrijken van de tijdlimiet kwam Iran met een uitputtende beschrijving van de bestaande en geplande activiteiten. Maar men hield staande dat het een civiel programma was. Er werd niet gewerkt aan een kernbom.

In de positieve sfeer die korte tijd heerste beloofde Iran, in ruil voor technologische steun, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië dat de verrijking van uranium zou worden `opgeschort'. Later is dat ook aan het IAEA toegezegd. Op 18 december 2003 tekende Iran bovendien het Additionele Protocol, dat IAEA-inspecteurs meer bevoegdheden geeft dan voorheen.

In de loop van 2004 is de sfeer weer verslechterd. Er bleven belangrijke onopgeloste problemen: het ontwerp voor de zwaarwater-reactor leek niet op een onderzoeksreactor maar eerder op een reactor voor plutoniumproductie. In de omgeving van sommige gascentrifuges werden sporen gevonden van uranium dat verder was verrijkt dan gangbaar in een civiel programma. En opeens doken blauwdrukken, en later zelfs onderdelen, op van centrifuges die veel geavanceerder waren dan de ouderwetse P-1 centrifuges die in de oktoberverklaring waren genoemd. Het werd duidelijk dat deze door de kring rond de Pakistaanse atoomgeleerde A.Q. Khan geleverd waren. Khan had ook geleverd aan Libië en dat had er een militair programma mee ingericht.

Niet duidelijk is hoe het IAEA Iran kan verbieden uranium te verrijken. Ook is het belang van het verbod niet helemaal helder. Als Iran NPV-lid blijft en bovendien het Additionele Protocol ratificeert (dat is nog niet gebeurd) is misbruik snel opgespoord. Wel is er het risico dat Iran de productie van uranium en plutonium geheel op orde brengt en dan alsnog het NPV – ongestraft – verlaat.