Vergroot de concurrentie van de moraal

Zowel pers als politiek zou er baat bij hebben als er in het publieke debat een grotere veelzijdigheid van meningen te horen is, stelt Medy van der Laan.

Er lijkt iets mis te zijn in de relatie tussen de politiek en de journalistiek. Gerard van Westerloo spreekt in het maandblad van NRC Handelsblad (4 sept) zelfs over `Oorlog tussen pers en politiek.' Hoewel ik de term oorlog veel te zwaar vind, is het in het artikel gebruikte woord wantrouwen wel relevant. Zonder de analyse van Van Westerloo over te willen doen, wil ik kijken naar de kernwaarden in de journalistiek en politiek. Wat mij overigens in aangename zin opviel in het artikel en de reacties daarop, was de ruimte die een aantal journalisten nam tot reflectie. Want zijn we onder de Haagse stolp niet erg druk met elkaar en wil de burger ook niet andere dingen weten? Dat belang verdwijnt soms naar de achtergrond. Ik zou als burger ook wel eens willen weten wat er verder nog in Den Haag gebeurt. Wat de argumenten zijn geweest, wat de afweging was.

Maar er is ook een andere partij in het spel: de politici. Het is veel te makkelijk om alle schuld bij de journalistiek te leggen. Ook politici moeten de hand in eigen boezem steken. Ik zie het in mijn eigen omgeving, in de politiek. Er wordt steeds meer rekening gehouden met mogelijke reacties in de media, in plaats van dat oprecht de beste keuze wordt gemaakt. Misschien komt het door de vele hypes, maar politici zijn bang om de fout in te gaan. En angst is een slechte raadgever. Politici hebben nu eenmaal een enorm belang bij een goed imago. Logisch dus dat zij de informatievoorziening zo volledig mogelijk willen beheersen. Maar net zoals een journalist de verantwoordelijkheid heeft tot het verstrekken van kwalitatief hoogwaardige informatie, hebben politieke bestuurders dat.

Transparantie is risicovol. Soms boek je juist geen resultaten of bereik je geen compromis als je bij voorbaat je opvattingen of onderhandelingspositie deelt met het volk. Die afweging tussen transparantie en het belang van het resultaat is steeds lastig. Al te risicomijdend gedrag van de politieke bestuurder kan bij journalisten leiden tot wantrouwen. Het gaat steeds weer om bewuste keuzes en regelmatige momenten van zelfreflectie, zowel voor journalisten als voor politieke bestuurders.

Politici moeten eens bij zichzelf nagaan hoe ze de pers benaderen. Met risicomijdende gedrag schiet de democratie niets op. En de journalisten? Iets eigenzinniger zou welkom zijn. Kijk eens naar hypes; die staan bol van de eenvormigheid. Het lijkt wel of de media, en dus de journalisten, min of meer dezelfde waarden en normen hanteren. Of ze allemaal met hetzelfde vingertje in dezelfde richting wijzen.

We moeten niet alleen kijken naar kwaliteit, maar ook naar pluriformiteit. Daarbij gaat het doorgaans om economische concurrentie. Maar het zou ook moeten gaan om de concurrentie van de moraal, om de competitie van opinies. Ik vind dat de media bij uitstek een platform zijn waarop verschillende meningen tegen elkaar ten strijde trekken. Waar de veelzijdigheid van ons land, met al zijn culturen, verschillende achtergronden, perspectieven en belangen, goed tot haar recht komt.

Meer concurrentie van de moraal binnen de media zou ervoor zorgen dat het risicomijdend gedrag overal in de maatschappij, en dus ook bij politici, kleiner wordt. Nu lijkt op het nemen van risico's of op het maken van fouten een extreem hoge straf te staan: collectieve verkettering. Op het moment dat de veelzijdigheid aan meningen zichtbaar wordt, blijkt misschien dat het gedrag niet collectief wordt afgekeurd; dat er voor- én tegenstanders zijn. De eenvormigheid van opvattingen onder journalisten komt de pluriformiteit van het nieuwsaanbod voor de burger niet ten goede. Net zo min als te risicomijdend gedrag van politieke bestuurders.

Een bijzonder punt is de discussie over mediaconcentraties. Op dit moment worden de markten voor zowel televisie als kranten beheerst door nog maar drie grote spelers. Verdergaande eigendomsconcentratie is niet goed en zal worden tegengegaan. Niet alleen om misbruik van marktmacht, maar ook mogelijk misbruik van opiniemacht te voorkomen. Immers: bezit of controle van media in een beperkt aantal handen is een potentieel politiek instrument – voor grote bedrijven, voor zittende of aankomende politici. En dus een bedreiging voor de vrije en pluriforme publieke meningsvorming. Wat dat betreft is het Amerikaanse medialandschap een schrikbeeld voor mij. Jan Donkers schreef daar laatst over (Opinie & Debat, 21 aug). Hij constateerde dat de concentratie van de media en de druk van de eigenaar om afwijkende opinies te weren of belachelijk te maken, heeft geleid tot enorme verschraling van het openbare debat in Amerika. En dat juist op een moment dat Amerika dat het hardst nodig heeft.

Zover is het nog niet, maar we moeten alert zijn. Daarom komt er naast de reguliere fusietoets door de NMa een `pluriformiteitstoets' om voorgenomen mediaconcentraties te beoordelen. Er komt een wettelijke regeling voor dagbladen, waarbij concentraties die leiden tot een marktaandeel van 35 procent of meer niet zijn toegestaan. Deze regeling heeft overigens geen betrekking op `autonome groei' van het marktaandeel, bijvoorbeeld door het stijgen van de oplagen of doordat een ander concern besluit om een bepaalde titel niet langer op de markt te brengen. Het gaat alleen om vergroting van het marktaandeel door concentratie, overname of fusie.

Kijken we naar de huidige marktaandelen van de grootste dagbladconcerns, dan liggen die allemaal onder die 35 procent-grens: De Telegraaf heeft ongeveer 31 procent en Wegener en PCM allebei circa 29 procent. De uitvoering van deze dagbladregeling (dus het toezicht en de handhaving) komt te liggen bij de NMa, die nu ook al belast is met het algemene toezicht op concentraties van ondernemingen.

Bij de televisie ligt de zaak anders, omdat er een publieke omroep op die markt aanwezig is. We gaan nog bekijken of er ook zo'n regeling moet komen voor televisie en zo ja, hoe die er dan uit moet zien.

Je zou kunnen zeggen dat de Publieke Omroep met z'n drie tv-zenders al de wettelijke taak heeft om een pluriforme nieuws- en informatievoorziening te bieden aan zoveel mogelijk burgers.

Tot slot hebben we besluiten genomen over de cross-ownershipregelingen. Deze gaan we versoepelen naar 35 procent marktaandeel; dit was 25 procent. Hierdoor kunnen dagbladconcerns, meer dan nu mogelijk is, zich ontwikkelen tot multimediale ondernemingen.

Laten we nooit vergeten dat politiek en media een bijzondere relatie hebben met elkaar, maar ook een gemeenschappelijk belang: kwalitatief hoogwaardige, pluriforme en onafhankelijke informatievoorziening, voor zoveel mogelijk mensen.

Medy van der Laan is staatssecretaris OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). Dit is een ingekorte en licht bewerkte versie van haar rede gisteren op de Jaarvergadering van de Nederlandse Dagbladpers (NDP).

Eerdere artikelen op www.nrc.nl/opinie.

    • Medy van der Laan