`Irak wacht prachtige toekomst'

Tijdens de Amerikaanse invasie in Irak spraken de Irakezen Nuri Abdel Ghani en Sami Abdullah in NRC Handelsblad over hun verwachtingen ten aanzien van het nieuwe Irak. Zeventien maanden later komen ze opnieuw aan het woord.

Ruim anderhalf jaar van terreuraanslagen, shi'itische en sunnitische opstanden en een misdaadgolf later is Nuri Abdel Ghani nog even optimistisch over de toekomst van Irak als op de dag na de val van Saddam Hussein en de intocht van de Amerikaanse tanks in het centrum van de Iraakse hoofdstad. ,,Ik ben erg trots op onze nieuwe interim-regering. Als ik de kans krijg wil ik meehelpen het land te besturen'', zegt Nuri, geboren en getogen Bagdadi uit een welgestelde shi'itische handelaarsdynastie.

Nuri is in Jordanië bij zijn dochter op bezoek. Direct na de oorlog was het voor de Irakezen alleen mogelijk via de satelliettelefoon van buitenlanders in Irak met de buitenwereld te communiceren. Hij smeekte vlak na de val van Saddam zijn familie te mogen bellen om hen gerust te stellen. Maar nu is al dat smeken bij westerlingen voor Nuri niet meer nodig. Hij heeft zelf een mobiele telefoon en praat langs die weg uitgebreid over het nieuwe Irak.

,,Er is zoveel te doen. We moeten eerst en vooral het terrorisme bestrijden. De terroristen komen uit het buitenland en willen Irak verwoesten. Maar wij zijn sterker en zullen overwinnen. We vechten voor democratie en rechtvaardigheid, een schaars goed in de hele Arabische wereld. Wij zullen voor de mensen een nieuwe deur openen.'' Hij is ervan overtuigd dat Irak de eerste democratie in de Arabische wereld wordt. ,,Wij hadden zestig jaar geleden al een parlement. Democratie zal zeer goed zijn voor ons land. Als het hier lukt zullen de Arabieren en heel het Midden-Oosten erop vooruit gaan.''

Hij legt uit dat het voor hem het belangrijkste is dat de Irakezen zich niet laten opdelen in shi'ieten versus sunnieten, moslims versus christenen, Arabieren versus Koerden. ,,Wij Irakezen zullen dat nooit toelaten. We zullen onze moeilijkheden overwinnen. Wij hebben veel troeven. Naast de olie hebben we veel toeristische attracties, de bergen en de enorm belangrijke culturele erfenis, en we hebben een sterke landbouwsector. En de Irakezen zijn goede werkers.

Irak was een paradijs ten tijde van het koninkrijk (1920-1958). Maar nu hebben we veel steun nodig van de Amerikanen en de Europeanen, en we moeten leningen krijgen om ons land weer op te bouwen. De toekomst zal helemaal anders zijn. De terroristen zullen het pleit verliezen. Als de vrede terugkeert zal Irak snel rijk zijn. Er wacht ons een prachtige toekomst.''

Sami Abdullah, een andere gesprekspartner van zeventien maanden geleden, ziet de toekomst heel anders tegemoet. Hij heeft van zijn oudste zoon Ahmed, die sinds mei 1994 vermist is, nog altijd geen nieuws. Al bij het begin van de Amerikaanse invasie had hij het erg moeilijk met de komst van de buitenlanders. Voor Sami waren de Amerikanen bezetters. Het ging hun alleen om de Iraakse grondstoffen, de olie en andere rijkdommen. En ook nu ziet hij hen niet als de bevrijders waar ze zich voor uitgeven.

Volgens zijn collega's op het werk, in het Sheratonhotel in Bagdad, heeft hij alle hoop opgegeven zijn zoon ooit nog levend terug te vinden, maar zelf ontkent hij dat ten stelligste: ,,Sinds de val van Saddam Hussein heb ik helemaal niets vernomen. Is hij dood? Lag hij in een van die talrijke massagraven? Ik weet niet meer wat te denken. En het ergste is dat ik nu ook niet meer weet waar aan te kloppen om naar mijn vermiste zoon te informeren. We hebben nog steeds geen geloofwaardige regering. Er is niemand tot wie ik me kan wenden. Dus houd ik me maar koest, ik zwijg erover. Ik kan het niet over mijn hart krijgen om naar de Amerikanen toe te gaan, of naar die interim-ministers.''

Hoe de toestand er na de verkiezingen die voorzien zijn voor volgend jaar zal uitzien weet hij niet, maar hij is niet erg optimistisch. ,,De toestand verslechtert alleen maar. We kunnen niets doen. We zitten maar thuis en proberen te overleven.''

Gisteren is in zijn straat een zwaar vuurgevecht losgebarsten. Het vechten duurde uren en alle ruiten van zijn huis sneuvelden en ook zijn auto werd beschadigd. ,,Niemand durft sindsdien de straat nog op'', zegt Sami. Maar zijn zoon Mohammed van twintig, die ook in het hotel werkt, is toch naar zijn werk vertrokken. Sami en zijn vrouw maken zich ernstig zorgen. ,,Straks om vier uur is hij klaar met werken. Maar we weten niet of hij veilig en wel thuis komt. Het is heel gevaarlijk hier in deze buurt, op vijftien kilometer van het centrum.''

In het fitnesscentrum van het Sheratonhotel heeft Mohammed er zijn werkdag opzitten. Ook Mohammed is niet echt blij met de Amerikanen maar nostalgie is er niet bij. ,,Nee, ik wil niet terug naar het oude regime. Maar het is wel zo dat we toen tenminste vrij konden rondlopen in Bagdad. Onder Saddams bewind durfden wij tot twee uur 's nachts in Bagdad rond te hangen. Zolang de Amerikanen hier blijven zal de veiligheidstoestand niet verbeteren.''

,,De Amerikanen hebben ons nieuwe auto's, satellieten en mobiele telefoons gebracht. We zijn daar dankbaar voor. En ook voor het feit dat we nu makkelijk met elkaar kunnen bellen en chatten zonder dat we bang hoeven te zijn om afgeluisterd te worden of opgepakt door Saddams geheime diensten'', zegt Mohammed. ,,Maar dat verhindert niet dat we nu te bang zijn om buiten te komen.''

    • Wilfried Bossier