De koers blijven volgen

Een van de argumenten waarmee de aanhangers van George W. Bush hun wereldleider in de verkiezingsstrijd aanbevelen, is dat John Kerry als president `weinig' aan de toestand in Irak zou kunnen veranderen. Op zichzelf een curieuze strategie: de kandidaat van je voorkeur te verdedigen met de verwachting dat zijn tegenstander het even beroerd zou doen. Maar er zit iets in. Kerry heeft als senator voor de oorlog gestemd. Onlangs heeft hij gezegd dat hij dit ook zou hebben gedaan als hij geweten had dat Saddam Hussein geen groot arsenaal van massavernietigingswapens had. En hij is van plan de koers te blijven volgen, d.w.z. hij rekent ook op een lange militaire Amerikaanse aanwezigheid in Irak.

In een verkiezingsstrijd wordt wel meer gezegd dat de kandidaten zich later niet kunnen herinneren. De demonstratie van manhaftigheid waarmee deze president de wereld leidt, maakt volgens de peilingen bij de meeste kiezers weer een goede indruk. Dus is het mogelijk dat kandidaat Kerry hem op dit gebied concurrentie wil aandoen. Maar het grote vraagstuk, niet voor Amerika maar voor het Westen en de Arabische wereld, blijft in de verkiezingsstrijd feitelijk onbesproken. Wat betekent het, als beide partijen verzekeren dat ze ,,de koers zullen volgen''?

In Irak is de situatie ontstaan die de tegenstanders van de oorlog (niet `de vrienden van Saddam') altijd hebben gevreesd. De bezettingsmacht is partij geworden in een nationale strijd, heeft beloften gedaan (wederopbouw, stichting van de democratie) die moeten worden nagekomen, kan dus niet vertrekken op straffe van vergroting van de chaos. En tegelijkertijd groeit in alle opzichten de belasting: psychologisch, economisch en militair. De Coalition of the Willing zit in zijn zelfgemaakte val, en niemand weet de uitgang. Ook Kerry niet. Volhouden dus. Tot sint-juttemis? Afgezien van de nobele doelstellingen: wat is precies de koers?

Een eigenschap van iedere oorlog is, dat twee partijen ervan leren. En het is, zestien en een halve maand nadat de opperbevelhebber het einde van de major operations had afgekondigd, duidelijk dat de tegenstanders veel hebben opgestoken. Na weken van vechten hebben de Amerikanen zich uit de grote steden Najaf en Falludja vrijwel teruggetrokken. De sloppenwijk van Bagdad, Sadr Stad, is gevaarlijk frontgebied geworden. Telkens slagen opstandelingen erin, herstelde olie-installaties en pijpleidingen opnieuw onklaar te maken. Met de tactiek van de gijzelingen wordt het vrachtverkeer op de grote wegen gesaboteerd. Grootschalig gebruik van geweld, zuiveringsoperaties met tanks en vliegtuigen veroorzaken veel doden onder de burgerbevolking en leiden niet tot het herstel van de orde.

Uit het dagelijks nieuws verrijst een nieuw beeld van Irak. Het is een land in oorlog, tussen twee vormen van orde: de openbare die wordt verdedigd door de Amerikanen, de Iraakse regering en hun bondgenoten, en de ondergrondse die zich steeds beter organiseert. Het initiatief tot wederopbouw wordt langzaam maar zeker verdrongen door het initiatief van het verzet, de sabotage, de terreur. Terwijl de democratische orde vergeefs probeert zich te vestigen, groeit de ondergrondse orde van het verzet. Van de samenstelling, leiding, eventuele monsterbondgenootschappen, geïmporteerd terrorisme, doelstellingen hebben we misschien een vage voorstelling. Maar in ieder geval te weinig voor de bestrijding. Manifesteert de ondergrondse orde zich te duidelijk, dan wordt er ,,keihard aangepakt'', met ingrepen van chirurgische precisie, waarbij dan toch onschuldigen te betreuren zijn. In totaal nu elfduizend? Vijftienduizend? Het blijft bij zeer grove schattingen. De enige zekerheid is dat de vijandschap jegens de bezetter toeneemt. Zo gebeurt het onder dergelijke omstandigheden in ieder land.

Terwijl de koers gevolgd wordt, vestigt daardoor het verzet zich dieper in de bevolking. Soms zou je denken dat in Irak door beide partijen de voorschriften van Mao Zedong worden gevolgd. Zo is het niet. Deze oorlog begint wel te lijken op de strijd tussen een nationalistische guerrilla tegen een koloniale macht. Maar het verschil is dat hier de fundamentalistische terreur zich erin heeft gemengd, en dat dit ingewikkelde geheel ligt ingebed in het langzamerhand universele anti-Amerikanisme van de Arabische wereld. Zou het de kiezers in Amerika (en de Bushisten in Europa) opvallen dat dit nauwkeurig het tegendeel is van de neoconservatieve bedoelingen die op de achtergrond de theoretische rechtvaardiging voor de oorlog vormden? Irak als democratisch model tot hervorming van het hele Midden-Oosten, dat was het grote doel op lange termijn achter de onderneming. Van dit neoconservatisme horen we op het ogenblik niets meer.

De werkelijkheid van vandaag is dat de tegenpartijen, wie het ook mogen zijn, er beter in slagen onze Westerse orde te hervormen dan wij die van deze geheime vijand. Hij verandert onze rechtsorde, ondermijnt het vertrouwen in de openbare veiligheid. Hij dwingt ons de open grenzen te veranderen in elektronische muren, alsof we in gemoderniseerde Middeleeuwen terecht zijn gekomen. Hij tast fundamenteel gewaande zekerheden van het dagelijks leven aan. Irak is een deel van de strijd, en hetzelfde geldt voor Afghanistan.

In beide landen doemt het tegendeel op van wat het Westen er wilde bereiken. Het lijkt een goede reden om eens grondig na te gaan of er iets aan de koers van het Westen kan worden verbeterd. Maar dat is niet de inzet van de Amerikaanse verkiezingen, waar wel beslist wordt wie de volgende `leider van het Westen' zal zijn, maar de `koers' niet ter discussie staat.