Vernieuw de politieke vernieuwing

De discussie over politieke vernieuwing zoals het kabinet die voert, is te beperkt, vinden E. Engelen, M. Scheltema en M. Sie-Dhian Ho.

Het moet gaan over veel meer dan parlement en gemeenteraden.

Na 38 jaar lijkt D66 te realiseren waarvoor de partij ooit werd opgericht. Na de invoering van het raadgevend referendum, de dualisering van de gemeentepolitiek en de aanstaande introductie van de gekozen burgemeester is vorige maand, met instemming van de voltallige ministerraad voor de invoering van een gemengd kiesstelsel, een belangrijke politieke hobbel naar de `vernieuwing' van de Nederlandse democratie genomen.

De initiatieven tot stelselhervorming zijn natuurlijk veel ouder D66 dateert uit 1966. Maar na de electorale aardverschuiving van 15 mei 2002 hebben zij hernieuwde politieke urgentie gekregen. Over de vraag of deze revolte een protest was tegen de politiek en het politieke establishment, tegen de democratische instituties als zodanig of tegen files, wachtlijsten, lerarentekorten en integratieproblemen, lopen de meningen uiteen. Maar sindsdien heeft het beeld van `de Nederlandse democratie in crisis' zich in de politieke discussie vastgezet.

In het publieke debat gaat veel aandacht uit naar manieren om de `kloof' tussen burger en politiek te verkleinen. Maar is deze `kloof' wel het hoofdprobleem? En is zo'n kloof niet kenmerkend voor ieder vertegenwoordigend democratisch bestel? Aan vertegenwoordigende democratie ligt immers het `moderne' beginsel van arbeidsdeling ten grondslag. De kiezer kiest een partij, een programma, een vertegenwoordiger en doet dat periodiek; de politicus vertegenwoordigt, delibereert, onderhandelt en controleert en doet dat dagelijks. Daarvoor zijn goede redenen. De burger heeft wel wat anders aan zijn hoofd, en de complexiteit van het hedendaagse bestuur vereist een mate van deskundigheid waar nu eenmaal niet iedereen over beschikt.

Er is een bredere analyse nodig van de veranderingen rondom de Nederlandse vertegenwoordigende democratie. De institutionele mal van de democratie is onder druk komen te staan door een reeks maatschappelijke ontwikkelingen: de `verplaatsing van de politiek' (naar de Europese Unie, het lokaal bestuur, de ambtelijke voorportalen, de rechter, maatschappelijke organisaties, de privé-sfeer); individualisering en de afnemende betekenis van levensbeschouwing, ideologie en sociale positie voor politieke loyaliteiten; de opkomst van de `kennissamenleving'; de veranderende rol van de media; en de internationalisering van economische activiteiten

De aloude politieke vraag: Who gets what, when and how wordt in toenemende mate ook buiten de muren van het Binnenhof gesteld en beantwoord. Steeds meer burgers verruilen klassieke participatievormen als stemmen, partijlidmaatschap en folderen voor donaties, meelopen in demonstraties en democratisch vrijwilligerswerk op school, sportclub en in de buurt. Politieke partijen verliezen hun klassieke mobiliserende functies en transformeren zich nolens volens in professionele kaderpartijen die zijn gespecialiseerd in opleiding, werving en selectie van professionele politici en bestuurders. Door al deze ontwikkelingen is klein onderhoud aan de instituties van de vertegenwoordigende democratie, zoals het huidige kabinet voorstaat, ontoereikend hoe goed bedoeld ook. Zoals de transformatie van de antieke en middeleeuwse democratische stadsstaat naar de 19de eeuwse democratische natiestaat ingrijpende gevolgen had voor democratische instituties, praktijken en concepten, zo nopen de huidige veranderingen van de context van de vertegenwoordigende democratie tot herbezinning op ons democratische erfgoed. Zowel in institutionele, praktische als conceptuele zin.

Als aanzet tot zo'n herbezinning twee observaties. Ten eerste dat de wetenschappelijke reflectie op democratische instituties en praktijken rijker is dan uit het lopende politieke debat in Nederland blijkt. In dat debat wordt democratie namelijk versmald tot een set wettelijk verankerde instituties die democratische legitimiteit van het handelen van nationale staten moet garanderen. Ook de huidige kabinetsvoorstellen passen hierin.

Het probleem is dat je met deze benadering geen antwoord hebt op de ontwikkelingen die wij boven hebben aangeduid als `verplaatsing van de politiek'. Het aantal plaatsen waar `politieke' beslissingen wordt genomen is veel groter dan de Eerste en Tweede Kamer en enkele honderden gemeenteraden. Dat roept de vraag op hoe democratie er op al die `buitenstatelijke' locaties zou kunnen uitzien. Als de politiek zich verplaatst, zou de democratie dan niet mee moeten verplaatsen? Dat is een prangende kwestie die nodig geadresseerd dient te worden. Hoewel de groeiende roep om maatschappelijke transparantie van overheden, semi-publieke instellingen en ondernemingen een stap in de goede richting is, moet tevens worden nagedacht over nieuwe vormen van medezeggenschap voor de direct betrokkenen in de verschillende maatschappelijke domeinen. Wel weten maar niet kunnen meespreken, is vanuit democratisch perspectief bezien betekenisloos.

Een tweede observatie is dat de nadruk op instituties gemakkelijk zou kunnen doen vergeten dat regels die onvoldoende aansluiten bij bestaande praktijken en niet worden geschraagd door democratische deugden, uiteindelijk loos kunnen blijken te zijn. Een vitale democratie vereist naast democratische instituties een bevolking die beschikt over voldoende democratische expertise en democratische deugden. Omdat ons vertegenwoordigende democratische bestel is gebaseerd op arbeidsdeling, zijn de democratische ervaringen die het burgers biedt, te vrijblijvend van aard om als democratische leerschool te kunnen fungeren. Parlementsverkiezingen vereisen een democratische cultuur, maar kunnen deze cultuur niet zelf genereren. Dat moet elders gebeuren.

Deels zou dat kunnen gebeuren in het onderwijs. Te denken valt aan verplichte cursussen burgerschapskunde, met practica waarin democratische processen worden nagespeeld en aandacht voor de werking van ons democratische bestel, de bevoegdheden van politieke functionarissen en de functie van politieke partijen en media in een democratische cultuur.

Daarnaast moet ook worden nagedacht hoe de principes van democratie gerealiseerd kunnen worden buiten de traditionele politieke fora. Zo bezien is de `verplaatsing van de politiek' niet alleen een gevaar, zoals voorstanders van herstel van het `primaat van de politiek' menen, maar biedt zij ook kansen voor democratische verdieping. Per slot van rekening geldt ook voor democratie dat zij maar ten dele uit boekjes kan worden geleerd, maar vooral learning by doing vereist.

Waar dat beter te doen dan op de fora die raken aan de persoonlijke levenssfeer? Of anders via referenda waarin de burger uit verscheidene opties kan kiezen in plaats van een simpel ja of neen. Een andere mogelijkheid is vorming van een panel van burgers dat alle nodige informatie krijgt om zich een geïnformeerde mening te vormen over een prangende kwestie. Hun bevindingen zouden kunnen uitmonden in een collectief advies dat ingebracht wordt in het formele besluitvormingsproces.

Hiermee willen wij niet suggereren dat institutioneel onderhoud aan het bestaande vertegenwoordigende bestel overbodig zou zijn. Zo zou het nuttig zijn vaker dan eens in de vier jaar de kiezer de gelegenheid te geven zich uit te spreken. Nu de functie van politieke partijen in het onderhouden van het contact met de kiezer is veranderd, zouden ook de wettelijke regels moeten veranderen om de juridische status van partijen minder vaag te maken. Te denken valt een nieuwe Wet op de politieke partijen, analoog aan de Duitse partijwet, die eisen stelt aan de interne democratische structuur van partijen, hun democratische taken (het bevorderen van publiek debat) expliciet maakt, en financiële verantwoordingsplichten stelt. Andere suggesties zijn overheidssteun voor volksinitiatieven, uitgebreidere onderzoeksfaciliteiten voor het parlement, en de mogelijkheid om naast het zware middel van de parlementaire enquête `mini-enquêtes' te initiëren.

Ons pleidooi voor meer aandacht voor de implicaties van de verplaatsing van de democratie betekent niet dat de staat er niet meer toe zou doen en dat versterking van de statelijke democratie irrelevant zou zijn. Integendeel, waar politiek verplaatst en de democratie meegaat, daar neemt het belang van een centrale arena voor uiteindelijke democratische legitimiteitsverwerving alleen maar toe.

Dr. E. Engelen, prof. mr. M. Scheltema en drs. M. Sie-Dhian Ho zijn stafmedewerker bij de WRR. Scheltema is vertrekkend voorzitter van de WRR. Deze bijdrage is geschreven naar aanleiding van de presentatie vandaag van de WRR-Verkenning De staat van de democratie: Democratie voorbij de staat.

    • E. Engelen
    • M. Scheltema
    • M. Sie-Dhian Ho