Het wordt schraal aan de universiteit

Uit de recente halfuitgelekte plannen en terloops uitgesproken voornemens blijkt dat het kabinet het hoger onderwijs terugbrengt tot een beperkte basisvoorziening waar over enkele jaren aanzienlijk minder studenten gebruik van zullen maken, meent R.J. de Wijkerslooth.

Begin juli is een notitie over de toekomstige bekostiging hoger onderwijs, studiefinanciering en collegegelden uitgelekt. Staatssecretaris Rutte heeft zich inmiddels ook publiekelijk over de inhoud van deze notitie uitgelaten, waarmee deze niet meer als een `ambtelijke verkenning' kan worden afgedaan. In Ruttes plannen wordt de onderwijsdeelname van een groot aantal categorieën studenten niet meer door de overheid gefinancierd, waardoor universiteiten gedwongen zijn die studenten aanzienlijk hogere of zelfs kostendekkende collegegelden te vragen. Die verhoging kan van zo'n 1.400 euro per jaar nu naar 6.500 tot 16.000 euro per jaar in de toekomst oplopen.

De maatregelen treffen tal van studenten: studenten die een tweede studie volgen, hbo-bachelors die ook een universitaire bachelor willen halen, studenten van buiten de Europese Unie, dertig plussers die een universitaire opleiding willen beginnen en bovenal studenten die om welke redenen dan ook studievertraging oplopen. Als dit regiem nu al van kracht zou zijn, zou ruwweg meer dan 30 procent van de huidige universitaire studenten een kostendekkend collegegeld moeten betalen.

Ter compensatie wordt het studenten makkelijker gemaakt het collegegeldbedrag bij de overheid te lenen. Of dat ten koste gaat van de hoogte van de basisbeurs of de aanvullende beurs die studenten nu ontvangen, is nog onduidelijk.

In ieder geval betekenen de maatregelen om per student te kunnen volgen of hij nog wel of niet voor overheidsfinanciering in aanmerking komt, voor de universiteiten en de overheid een verdubbeling of verdrievoudiging van de administratieve rompslomp op het gebied van de studenteninschrijving.

Voor zo'n verstrekkende ingreep zou je een zeer gedegen argumentatie verwachten, maar tot nu toe blijkt deze alleen te bestaan uit gemeenplaatsen als ,,afbakening overheidsverantwoordelijkheid'' (het onmogelijk maken van het volgen van meer dan één studie), ,,bezuinigingen'' (het weren van niet-EU-studenten en studenten ouder dan 30) en ,,studenten moeten sneller studeren'' (het beboeten van studievertraging). Een analyse van de economische, sociale en culturele gevolgen ontbreekt. De overheid lijkt er stilzwijgend van uit te gaan dat de getroffenen blijmoedig het hogere collegegeld gaan betalen als ze dat maar kunnen lenen en dat verder alles bij het oude blijft.

Niets is minder waar. Studenten die twee studies gelijktijdig of na elkaar doen (meestal is het een combinatie van beiden) behoren vrijwel altijd tot de groep van zeer getalenteerden en in ieder geval tot de groep van de zeer gemotiveerden, maar gefortuneerd zijn zij uiterst zelden. Zij zullen in de nieuwe situatie moeten afzien van het volgen van een tweede studie.

Dat geldt ook voor studenten die twee studies gelijktijdig doen; want hoe getalenteerd deze studenten ook zijn, het is onmogelijk om twee studies te voltooien in de tijd die er staat voor één. Dus ook zij worden geconfronteerd met kostendekkende collegegelden en zullen daarom afzien van een tweede studie. De Nederlandse universiteiten zullen het zonder deze opmerkelijke groep studenten moeten stellen en de Nederlandse werkgevers zullen vergeefs zoeken naar academici die op jonge leeftijd twee studies hebben weten te voltooien en de academische medaille van twee kanten hebben leren bekijken. In alle andere landen van de EU zullen deze dubbelstudenten overigens zeer welkom zijn: buiten Nederland worden nergens boetes op talent en motivatie geheven.

Maar was het niet dit kabinet dat ,,ruim baan aan talent'' wilde geven? Was het niet deze minister van Onderwijs Van der Hoeven die haar toenmalige staatssecretaris Nijs terugfloot toen de laatste opperde dat de tweede studie maar door de student zelf betaald moest worden? Was het niet deze staatssecretaris Rutte die recent bij de Universiteit van Amsterdam nog sprak over de ,,braingain'', die Nederland moest nastreven in plaats van de `braindrain' op ons af te laten komen?

Het niet meer financieren van de onderwijsdeelname van studenten van buiten de EU en studenten die na hun 30ste met een studie beginnen is door de overheid als een pure bezuinigingsmaatregel voorgesteld. De bedragen die hier mee gemoeid zijn, zijn al in de conceptbegroting voor 2005 verwerkt. Dat is bijzonder, want enkele jaren geleden is met dezelfde motivatie het budget voor het hoger onderwijs al gekort.

Maar wat als pure bezuinigingsmaatregel wordt voorgesteld heeft inhoudelijke consequenties. Studenten van buiten de EU zijn vooral bèta's en technici die ook makkelijk elders in Europa voor hun studie terechtkunnen. Door deze maatregel wordt vooral economische schade aangericht, zoals de technische universiteiten op 8 september op de Opiniepagina betoogden.

Wie na zijn 30ste aan een universitaire studie begint heeft daar meestal heel persoonlijke redenen voor. Het is moeilijk aan te geven welk effect het niet meer financieren van de onderwijsdeelname van deze mensen op de samenleving als geheel heeft. Voor één sector is dat echter wel duidelijk: de theologie. De praktijk leert dat deze studie meestal pas op latere leeftijd wordt gekozen. Het toch al geringe aantal theologiestudenten zal door deze maatregel verderteruglopen. Zitten wij daar temidden van alle discussies over de multireligieuze en multiculturele samenleving op te wachten?

Het meest schadelijke van alle voorstellen is echter de verhoging van collegegelden voor studenten die studievertraging oplopen. De overheid kan en moet dat weten, want er zijn eerder van dat soort ingrepen geweest. Per 1 januari 1988 werd onder de toenmalige minister van Onderwijs Deetman de `harmonisatiewet' ingevoerd. Ook toen werden studenten die in de ogen van de wetgever te lang studeerden, gedwongen tot het betalen van hogere collegegelden. De gevolgen werden geleidelijk aan duidelijk: de gemiddelde studieduur veranderde nauwelijks, maar de administratieve rompslomp nam toe, het aantal studiestakers steeg en er trad een massale vlucht op in de als `makkelijk' bekend staande studies. De relatieve achteruitgang van de instroom in bèta- en technische opleidingen raakte toen pas echt in een stroomversnelling. Zes jaar later werd met steun van de gehele Tweede Kamer de harmonisatiewet met het schaamrood op de kaken weer ingetrokken.

Dit drama dreigt zich nu in veel ernstiger mate te herhalen: de instroom in bèta- en technische opleidingen zal weer dalen en het aantal studiestakers zal toenemen. Bovendien zullen nu minder studenten het aandurven om na het behalen van hun bachelordiploma door te gaan met de doctoraalfase om hun masterdiploma te behalen. Daar mag straks immers in het geheel geen studievertraging meer optreden. Dat komt omdat studievertraging bij universitaire opleidingen vooral in de eerste twee jaar wordt opgelopen, meestal doordat studenten verkeerd gekozen blijken te hebben en omzwaaien naar een andere studie. Met die vertraging is speling in een later stadium van de studie opgebruikt.

Studievertraging in de slotfase van een studie heeft weer heel andere oorzaken: bijvoorbeeld een tegenslag in het onderzoek dat een student in zijn masterfase uitvoert, een extra stage of deelname aan een uitwisselingsprogramma met een buitenlandse universiteit. Goede en nuttige zaken die voor een student zeer leerzaam zijn en eerder beloond dan bestraft moeten worden.

Zijn er dan helemaal geen lichtpuntjes? Jawel! Meer vrijheid voor universiteiten en hogescholen om zelf de hoogte van het collegegeld vast te stellen in combinatie met een betere faciliteit voor studenten om deze (hogere) collegegelden te lenen. In dit voorstel schemert het besef door dat, als wij in Nederland met ons hoger onderwijs op kwaliteit willen blijven concurreren in Europa, de bijdrage per student echt omhoog zal moeten. Ofwel door een stijging van de publieke bijdrage ofwel door een verhoging van de private bijdrage.

R.J. de Wijkerslooth is voorzitter van het college van bestuur van de Radboud Universiteit Nijmegen.

    • R.J. de Wijkerslooth