Boff schetst een stupide beeld van de man

In Opinie & Debat van 11 september betoogt Leonardo Boff dat ,,de vader terug moet worden gebracht in de samenleving om kinderen een kans te geven een levensplan te volgen''. We leven volgens hem in een vaderloze samenleving die direct het gevolg is van de emancipatie. De hieruit volgende kritiek op het machismo heeft namelijk het evenwicht binnen het traditionele gezin verstoord, met allerlei kwalijke gevolgen van dien. Zo noemt Boff het onevenredig grote aantal vaderlozen onder kinderen die weglopen van huis, in jeuddetentie verzeild raken of zelfmoord plegen. Deze kinderen lijden volgens hem onder een `gebrek aan structuur' dat naar zijn mening naadloos te herleiden is tot de afwezigheid van de vader. Moeders zijn, zo laat hij impliciet doorschemeren, namelijk niet tot het aanbrengen van structuur in staat. Zijn conclusie is: de vader, als vertegenwoordiger van tucht, moed en veiligheid, moet terug.

Boffs kritiek op het feministische gedachtegoed en de emancipatie van vrouwen is om meerdere redenen onverdraaglijk. In de eerste plaats koppelt hij de afwezigheid van de vader direct aan de kritiek op het traditionele gezinsmodel, er blijkaar van uitgaand dat dat model tot voor kort een prima voedingsbodem heeft gevormd voor de ontwikkeling van kinderen, zowel jongens als meisjes. Dat die kritiek gestoeld is op relevante feiten (geweld in het gezin, financiële afhankelijkheid en chantage, onderdrukking van capaciteiten van de vrouw die verder strekken dan het aanrecht) laat hij buiten beschouwing.

Dat mannen, zeker een belangrijk aantal buitenlandse vaders van de kinderen die momenteel in jeugddetentie zitten, er van oudsher een gewoonte van hebben gemaakt om uit eigen gemakzuchtige keuze hun partner en kinderen op jonge leeftijd te verlaten door met de noorderzon te vertrekken en daar dus helemaal geen feministische kritiek voor nodig hebben, laat hij onbesproken, evenals het feit dat veel jeugddelinquenten juist uit zéér traditionele gezinnen afkomstig zijn. Dat er ook heel veel kinderen zijn zonder vader die géén zelfmoord plegen of tot delicten overgaan, verzwijgt hij. Met andere woorden, Boff wil dat wij ons kritiekloos bekeren tot een, zoals hij het noemt, `antropologisch beeld' van de vader, zonder zelfs maar in overweging te willen nemen of dat beeld in de realiteit wel ergens op slaat.

Uit zijn stuk blijkt dat het Boff ook helemaal niet om de feiten te doen is. Door een onderwerping aan een idealistisch, traditioneel manbeeld af te smeken hoopt hij ons (vrouwen?) te verleiden tot een nog onrealistischer bekenning, namelijk aan de Oppervader: God. Dat deze overgave in verschillende culturen zeker de laatste tijd aan veel kritiek en twijfel blootstaat, mede dankzij het geweld door mannen jegens vrouwen dat zij met zich meebrengt, lijkt geheel aan Boff voorbij te gaan.

Als vrouw ervaar ik Boffs analyse van het mannelijk ego-probleem om deze redenen als behoorlijk stupide. Maar als ik een man was, dan hielpen zijn adviezen om met mijn verwarring om te gaan mij ook geen zier. In Boffs visie ben ik dan namelijk passief onderhevig aan de kritiek van vrouwen en rest mij geen andere keuze om mijn eigen leven en dat van mijn kinderen zinvol richting te geven dan stompzinnige onderwerping aan een `beeld' dat niet meer van deze tijd is en dat mijn eigen rol beperkt tot die van ordehandhaver en regelneef. Over de wijze waarop ik de rol van mijn vrouw dan inschat zullen we het maar niet eens hebben.

Het verbaast mij overigens niet dat er mannen zijn die deze tijd als verwarrend ervaren en die daardoor zoekend zijn naar de rol die zij in hun gezin willen innemen. Ik zou deze verwarring echter willen toejuichen en alle mannen aansporen zich te bevrijden van het traditionele beeld dat hun diverse capaciteiten als zorgdrager inperkt. Niet door de benen te nemen, maar door te vechten voor hun plaats in het gezin en hun bijdrage aan de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. Ieder kind, dat ben ik met Boff eens, heeft recht op een fijne vader. Maar dan wel een normale, menselijke vader, eentje die het af en toe ook niet meer weet en die een kind meer te bieden heeft dan de halstarrige rechtlijnigheid waar Boff voor pleit.

Pleun van Vliet is universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Pleun van Vliet