Zorgen over de AOW zijn terecht, kies voor andere benadering

Voor de toekomst van onze sociale zekerheid is een systeemwijziging nodig. Zo moeten zo snel mogelijk maatregelen worden genomen om de AOW via kapitaaldekking te financieren in plaats van het huidige omslagstelsel, meent B.M.S.van Praag.

De laatste jaren worden twijfels geuit over de houdbaarheid van de AOW in een vergrijzend Nederland. In 2002 was het aantal 65-plussers ongeveer 35 procent van het aantal werkenden en voor 2040 wordt dat geraamd op 55 procent.

De structuur van de AOW is simpel. De premiebetalers betalen circa 18 procent van hun inkomen tot een bepaald maximum en de uitkeringsgerechtigden krijgen per paar circa 1.100 euro per maand. Drie elementen zijn essentieel: iedereen doet verplicht mee, er is een element van inkomensherverdeling, omdat rijkeren meer premie betalen maar dezelfde nominale uitkering krijgen, en de financiering vindt plaats via een omslagstelsel. De wettelijke verplichting en de inkomensherverdeling zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld. Zonder verplichte deelname is een systeem van sociale zekerheid onmogelijk. Geldt dit ook voor het derde element, het omslagstelsel, waarbij de premieopbrengst in hetzelfde jaar wordt verdeeld over uitkeringsgerechtigden? In bijna alle landen worden sociale verzekeringen gefinancierd via het omslagstelsel. Dit heeft geleid tot de wijdverbreide misvatting dat het omslagstelsel de enig mogelijke, c.q. de beste manier is om een sociale verzekering in het algemeen of de AOW in het bijzonder te runnen. Dat moet met kracht worden ontkend. Er is geen enkele logische noodzaak om een sociaal systeem via een omslagstelsel te financieren.

Een ander systeem is de collectieve spaarpot, zoals gerealiseerd door het ABP en andere pensioenfondsen, of meer technisch: het kapitaaldekkingsstelsel. Dan betaalt men gedurende het werkzame leven, zeg 40 jaar, premie en eet na pensionering op 65 jaar, zeg gedurende de 20 resterende jaren, zijn spaarpot op. Doordat de besparingen in de collectieve spaarpot rente hebben opgebracht, worden we een beetje geholpen bij het sparen. Hoe hoger de rente, hoe lager de premie of hoe hoger de pensioenuitkering kan zijn.

Het is duidelijk dat als men de premiebetaling aan zo'n fonds verplicht maakt, ook alle herverdelingen mogelijk zijn. Sommige mensen doen dan meer in de pot dan ze eruit krijgen, terwijl anderen juist meer uit de pot krijgen dan ze erin hebben gedaan. Er is geen enkele reden waarom een verplichte verzekering volgens het kapitaaldekkingsstelsel minder sociaal zou moeten zijn dan via een omslagstelsel.

De vraag is welk van de twee stelsels de meeste `value for money' levert. Stel dat men bereid is gedurende 40 jaar 100 euro per maand premie te betalen en dat systeem A een pensioen van 200 euro per maand zal opleveren en systeem B een pensioen van 250 euro per maand voor dezelfde premie. Dan is het natuurlijk duidelijk dat wij ons liever verzekeren via systeem B dan via A. Wij noemen de verhouding tussen pensioen en premie de opbrengst-ratio van het systeem en we zoeken naar de hoogste opbrengst-ratio.

Bij het omslagsysteem wordt de opbrengst-ratio bepaald door de demografie. De bevolking in bijna alle Europese landen, ons land niet uitgezonderd, heeft resoluut heeft gekozen voor een veel lager kindertal dan vroeger. Hoewel het varieert van het ene land naar het andere wordt op het moment uitgegaan van gemiddeld crica 1,6 kind per vrouw en dat ligt flink beneden de zogenaamde reproductie-ratio van circa 2,1. Dit heeft implicaties voor de opbrengst-ratio van het omslagsysteem. Vanaf de Tweede Wereldoorlog lag deze ratio op circa 6, maar de komende decennia zal zij door het dalen van de geboorten waarschijnlijk terugvallen naar een waarde tussen 1,5 en 2.

Bij het kapitaaldekkingsstelsel hangt de opbrengst-ratio af van de rente, gecorrigeerd voor inflatie, die gemaakt kan worden op beleggingen. Deze waarde is veel minder aan fluctuatie onderhevig en zal in de komende decennia waarschijnlijk uitkomen op circa 3 en daarmee een stuk hoger dan wat het omslagstelsel ons kan schenken. Er is dus alles voor te zeggen om de komende jaren de AOW niet langer op basis van een omslagstelsel maar op basis van kapitaaldekking te financieren.

Natuurlijk fixeert de nu door de Nederlandse overheid gegeven garantie van een maximale AOW-premie van 18,25 procent, waarboven de overheid uit de algemene middelen de tekorten zal aanvullen, de werkelijke prijs van de AOW niet. De rest wordt dan uit de belastingopbrengsten betaald. Wel lijkt het waarschijnlijk dat een verzekering op basis van kapitaaldekking tot een lagere opbrengst-ratio van circa 3 zal leiden dan de historisch hoge waarde van 6 die wij in de afgelopen decennia van hoge bevolkingsgroei konden realiseren. Ook met kapitaaldekking komen niet de gouden tijden van weleer terug. Het ligt voor de hand zo vlug mogelijk van het ene naar het andere systeem te switchen. Maar zie ik dan de moeilijkheden van de overgang van het ene systeem naar het andere niet over het hoofd? Dat doe ik niet. Als je de huidige AOW-trekkers niet in de kou wilt laten staan en tegelijkertijd een spaarpot wil opbouwen voor de toekomst, dan komt dit neer op verzwaarde premiebetaling voor de komende generaties, al gaat het niet om `dubbel betalen', zoals vaak demagogisch wordt gesuggereerd. Het is natuurlijk duidelijk dat er een zeer geleidelijk overgangstraject moet worden uitgezet, dat pas na een jaar of veertig voltooid zal zijn en waarbij zowel de huidige premiebetaler tot wat hogere lasten zal moeten worden gedwongen als ook de huidige AOW-uitkeringen wat worden teruggebracht (bij voorbeeld door een beperking van de AOW-uitkering voor diegenen met een groot aanvullend pensioen of vermogen).

Hoe verstandig ook uitgesmeerd over vele jaren, er zal een hard en doornig pad moeten worden bewandeld. Maar hoe langer we uitstellen, hoe verder wij ons in de nesten draaien. Want één ding is duidelijk: de handhaving van het omslagstelsel wordt een heel dure manier om een sociaal zekerheidsstelsel overeind te houden. Laten we in ieder geval serieus gaan nadenken over een fundamentele stelselwijziging en laten we ophouden de gedachte te koesteren dat het vanzelf wel weer goed komt, of dat `een AOW-fonds', hoe goed ook als eerste begin, ons over een tijdelijke hobbel heen kan helpen. Die hobbel is niet tijdelijk.

Het Nederlandse sociale systeem bestaat uit vele componenten zoals de AOW, de arbeidsongeschiktheidsverzekering, werkloosheidsverzekering, ziekenfondsverzekering, bijstand. Bijna alle hebben globaal dezelfde functie: de zwakkeren in onze maatschappij worden geholpen door de sterkeren. In het algemeen gaat het ook hier om overhevelingen van jongeren naar ouderen. Wanneer wij ons dus zorgen moeten maken om de houdbaarheid van de AOW, omdat de leeftijdsverdeling in onze bevolking zo gaat veranderen dat de verhouding van ouderen ten opzichte van jongeren dramatisch stijgt, dan moeten die zorgen ook gelden voor bijna alle andere componenten van ons sociale stelsel, behalve voor de kinderbijslag en de studiefinanciering. Er is geen reden onze aandacht te beperken tot de AOW en te denken dat we, als die problematiek is opgelost, het moede hoofd wel neer kunnen leggen. De tijd van pappen en nathouden en van over de verkiezingen heenschuiven moet voorbij zijn.

Prof. dr. B.M.S. van Praag is emeritus universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.