Witje

Af en toe komt de zuster van mijn moeder – Tantetje – bij ons logeren. Ze is dol op onze kleine lieve poes Witje. Na zo'n weekend brengt Wietze, mijn man, haar altijd terug naar huis.

Op een zondagavond, tante is net vertrokken, wordt Witje overreden. Een uur later bel ik tante om het droeve nieuws te vertellen.

,,Heb je je moeder al gebeld'', vraagt ze.

,,Welnee'', zeg ik, ,,jíj had Witje het laatst op schoot.''

,,O'', zegt tante, ,,ik verstond dat je Wietze zei. Nee hè, is Wítje dood, nee hè. Afschuwelijk.'' Waarna tante in snikken uitbarst.

Bijdragen van lezers zijn welkom via een formulier op www.nrc.nl/ik