`We leven niet, we bestaan alleen maar'

Het gijzelingsdrama van Beslan in Noord-Ossetië was het werk van Tsjetsjenen en Ingoesjeten. Het drama reet oude wonden open. Leden van de Ingoesjeetse minderheid worden nu het kind van de rekening.

,,We zaten televisie te kijken en we zagen het tegelijkertijd: het klimrek bij de deur. We keken elkaar aan en we zeiden: dat is het, dat is waar wij werden vastgehouden.'' De Ingoesjeetse Lejla Amirchanov kan het in haar dorp Maiski, in Noord-Ossetië, nog steeds nauwelijks geloven. Bijna twaalf jaar geleden zat zij met haar drie zoons óók in school nummer 1 in het Noord-Osseetse Beslan. Als gijzelaar van de Noord-Osseten.

Twaalf jaar geleden woedde er in Noord-Ossetië een korte, hevige oorlog tussen Osseten en Ingoesjeten, die aan honderden mensen het leven kostte. Een van hen was Lejla's echtgenoot Alechan. Het was de tijd dat de Sovjet-Unie ineenstortte en dat veel volkeren de door Stalin getrokken grenzen wilden slechten om ze te vervangen door grenzen langs etnische lijnen. Christelijke Osseten vochten tegen islamitische Ingoesjeten om woningen en grond die de Ingoesjeten moesten verlaten toen Stalin in 1944 hun hele volk naar Centraal-Azië deporteerde, als straf voor hun vermeende colleboratie met de nazi's. Toen de Ingoesjeten in de jaren vijftig terugkeerden, kregen ze die woningen en die grond niet terug.

Veel van de slachtoffers van twaalf jaar geleden waren leden van de Ingoesjeetse minderheid in Noord-Ossetië. Veel mannen, zoals Alechan, verloren het leven. Veel vrouwen en kinderen werden gedwongen naar het naburige Ingoesjetië te verhuizen. Ze verloren hun hele bezit.

,,Als je die beelden ziet'', vertelt Lejla, doelend op de televisiebeelden van de school in Beslan die ze met haar oudste zoon Zelimchan bekeek, ,,dan haal je anders adem. Ik realiseerde me direct dat het dezelfde plek was.''

Het gijzelingsdrama in Beslan heeft oude wonden opengereten. Zodra de Osseetse autoriteiten hadden bekendgemaakt dat er onder de terroristen een Ingoesjeet was, gonsde het direct in de straten van de republiek: zie je wel, de Ingoesjeten zijn niet te vertrouwen. Volgens de berichten kregen de Ingoesjeetse studenten op de universiteit van de hoofdstad van Noord-Ossetië, Vladikavkaz, te horen dat ze voor hun eigen veiligheid het best direct konden vertrekken. Ongeveer duizend Ingoesjeten zouden eieren voor hun geld hebben gekozen en over de grens, Noord-Ossetië uit zijn gevlucht.

Lejla Amirchadov was daar niet bij. Zij woont al sinds 1992 in een bouwval in Maiski, een dorpje in Noord-Ossetië tegen de grens met Ingoesjetië. Daar werd na het conflict in dat jaar een vluchtelingenkamp ingericht. Lejla heeft een baantje in de hoofdstad van Ingoesjetië, Nazran. Haar zoon Zelimchan werd politieman aan de andere – Noord-Osseetse – kant van de grens. Maar nu kunnen ze geen kant meer op. De Osseetse autoriteiten zeggen: je bent Ingoesjeet, laat ze in Nazran maar voor je zorgen. De Ingoesjeetse bestuurders zeggen het omgekeerde. Ze komen immers uit Noord-Ossetië. ,,We hebben nog steeds geen registratie, hoewel we altijd in Noord-Ossetië hebben gewoond,'' zegt Lejla. En zonder registratie geen rechten.

Maiski is verdeeld. De ene kant is een gewoon dorp, met de gewone lage huizen en de gewone binnenplaatsen van een Kaukasusdorp. Aan de andere kant van de spoorlijn wonen de wagontsjiki als Lejla en haar gezin. Oorspronkelijk woonden de vluchtelingen in treinwagons, maar in de loop der jaren hebben ze daar steeds meer aan- en opgebouwd. Nu is het een ratjetoe van spaanplaat, asbest daken en garen en draad om de boel bij elkaar te houden. Over de modderige paden tussen de bedoeninkjes in scharrelen kippen en schurftige honden hun kostje bijeen. Lejla's woning meet misschien vier bij vijf meter. In de woonkamer wordt ook geslapen. Tapijten en koranverzen sieren er de muur, evenals een foto van een versteend gezin van twaalf jaar geleden, met vader Alechan er nog op en zoon Zelimchan in hetzelfde truitje waarin hij uit huis werd weggevoerd. Hij bewaart het als herinnering. Een strijkijzer staat naast een volgespropt kastje op de grond. De keuken is vooral modder.

,,Natuurlijk was het vreselijk voor de kinderen'', zegt Lejla. ,,1 september [het begin van de gijzeling] was een zwarte dag.'' Zelimchan vult aan: ,,Dat ik twaalf jaar geleden heb moeten lijden, betekent nog niet dat andere kinderen ook moeten lijden.'' Lejla: ,,Het wordt nu zo gepresenteerd dat Ingoesjeten schuldig zijn aan de gijzeling, maar criminelen hebben geen nationaliteit. Toch zijn het altijd Ingoesjeten of Tsjetsjenen als er een misdaad wordt gepleegd.''

,,Wraak? Met welk doel?'' vraagt Zelimchan. ,,Ik leef als een Ingoesjeet, ik heb een Ingoesjeets hart. Als ik een vijand voor me zie, zal ik hem vermoorden. Maar ik ga geen heel volk opblazen.''

Voor het huisje van de Amirchanovs heeft zich een groepje buurvrouwen verzameld. Ze kunnen niet laten af en toe even naar binnen te gluren, flarden van het gesprek op te vangen. Buitenlands bezoek aan Maiski is een zeldzaamheid. ,,Niemand heeft ooit aandacht aan ons besteed'', klaagt een van de vrouwen, Lida Dzjanijeva, bewoonster van een van de overige tweehonderdzesenveertig wagontsjiki. ,,Onze huizen verrotten, het zijn net kippenhokken. We leven hier niet, we bestaan alleen maar.'' Haar vriendin Rosa Lijanova zegt dat ze tot het drama in Beslan nog een oogje kon houden op haar appartement in de hoofdstad Vladikavkaz, waar nu vluchtelingen uit het ook al omstreden Zuid-Ossetië in wonen. Dat kan niet meer. De politiepost even verderop houdt alle Ingoesjeten tegen.

Lida Dzjanijeva vertelt in 1992 negen familieleden te hebben verloren, onder wie haar man en haar zoon. ,,Vermoord door Osseten. De autoriteiten hebben zelf toegegeven dat ik heb geleden, ik krijg er een pensioentje voor. Maar ik ga niet terug. Ik probeer de Osseten niet te vermoorden of te verjagen. Dat hebben ze in 1992 met ons wel gedaan en ze proberen het nu weer.''