Van Zweden: rijpe Bruckner

Ze wonen bij elkaar in de buurt en lunchen regelmatig samen bij de plaatselijke Italiaan. Je zou dus denken dat Rihms ensemblewerk Sphäre um Sphäre te maken heeft met Sloterdijks filosofische magnum opus Sphären, maar daarvoor is geen enkele aanwijzing.

Rihms Sphäre um Sphäre (2003), dat in de Matinee de Nederlandse première beleefde, diskwalificeert de associatie met Sloterdijk niet per se. Waar Sloterdijk in zijn sferenfilosofie onder zeer veel meer bepleit dat de mens pas kan bestaan in zijn context, laat Rihm zijn onrustbarende muziek vol agressieve pizzicati uitdijen en inkrimpen in nauwe onderlinge verbanden. De ene muzikale gebeurtenis lokt de volgende uit, waarbij de twee vleugels de blazers, de harp en het slagwerk op sleeptouw nemen. Sphäre um Sphäre is niet Rihms indringendste ensemblewerk, maar betere pleitbezorgers dan het ASKO/Schönberg Ensemble onder Reinbert de Leeuw had Rihm zich niet kunnen wensen.

Wolfgang Rihm noemde zijn onzekerheid bij het componeren ooit `mijn grootste schat', en in die zin toont hij zich een verwant van Anton Bruckner. Diens Achtste symfonie volgde op Sphäre um Sphäre, gespeeld door het Residentie Orkest onder leiding van chef-dirigent Jaap van Zweden, de spectaculaire opening van het honderdste seizoen. Van Zweden, die over een jaar chef wordt van het Radio Filharmonisch Orkest, blijft nog twee jaar bij het Residentie Orkest dat in juli voortreffelijk presteerde in de serie Zomerconcerten en nu zeker en precies speelde in een gespierde Bruckner.

Van Zweden richtte zich in zijn ontwikkeling als dirigent van het laat-romantische repertoire tot nu toe vooral op Mahler en voerde relatief weinig muziek van Anton Bruckner uit. Aan de rijpheid van zijn interpretatie en de afwerking van het spel van het Residentie Orkest was dat absoluut niet te horen. Van Zweden benaderde Bruckners Achtste met veel oor voor de monumentale opbouw.

Dynamisch gesproken was de tutti-klank van het orkest in Bruckners mysterieuze pianissimi soms wat aan de sportieve kant, waardoor het contrast tussen zeer zacht en snoeihard iets minder schokkend bleek dan idealiter mogelijk is. Maar in verhouding tot de kwaliteit van het samenspel en – bijvoorbeeld – de knipoogloze extase van het orkest op volle sterkte (Finale), bleek dat een detail.

Een heel persoonlijk aspect van Van Zwedens greep op Bruckner bleek de vormgeving van de melodiek. Frasen klonken stuk voor stuk afgewerkt en vloeiend – zowel bij de strijkers, als in de indrukwekkende tenortuba's van het Adagio.

Van Zweden bewees hier opnieuw zijn instinct voor structuur, theater, `vocale' fraseringen en ritmische precisie. Die mix maakt hem tot een uitstekend Bruckner-dirigent en doet uitzien naar de jubileumvoorstelling Synergy waarin hij deze maand het Residentie Orkest en het Nederlands Danstheater voorgaat.

Concert: ASKO/Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw en Residentie Orkest o.l.v. Jaap van Zweden. Gehoord: 11/9 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 14/9 20 uur.