Turkije moet een faire kans krijgen

Een toekomstig democratisch Turkije zou, als lid van de EU, de wereld kunnen laten zien dat islam en democratie wel degelijk kunnen samengaan, meent Siep Stuurman.

Moet Turkije lid worden van de Europese Unie? En zijn de culturele verschillen tussen Europa en Turkije relevant voor het beantwoorden van die vraag? Velen, onder wie Frits Bolkestein met zijn recente toespeling op het Turkse beleg van Wenen in 1683 (Opiniepagina, 6 september), schetsen een beeld van Turkije als een islamitisch Trojaans paard dat de eigenheid van Europa zal aantasten. Het beeld van een massief-islamitisch `achterlijk' Turkije is een karikatuur van een land dat sinds de stichting van de Turkse Republiek in een moeizame, haast schizofrene verhouding met de eigen islamitische tradities leeft.

Dit voorjaar heb ik twee maanden college gegeven aan de Sabanci Universiteit in Istanbul. Het verschil met een Europese of Amerikaanse universiteit was niet dramatisch groot, Engels als voertaal was geen probleem, en mijn studenten hadden meer belangstelling voor het postmodernisme dan voor de koran. De invloed van de islam bleek hoofdzakelijk uit het verbod op de verkoop van alcoholische dranken op de campus. De Turkse studenten losten dat op zoals studenten overal ter wereld: ze wandelden naar een naburig benzinestation waar de begeerde drank wel te krijgen was.

Een moderne universiteit is natuurlijk niet representatief voor een hele samenleving. Lopend door de straten van Istanbul kom je zowel de meest up-to-date westerse lifestyle tegen als vrouwen met lange gewaden en hoofddoeken. Turkije wordt in de huidige tijd vooral gekenmerkt door een grote diversiteit. De meeste Turken accepteren dit pluralisme.

Uit recent opinieonderzoek blijkt dat 77 procent van de bevolking vindt dat studentes aan universiteiten de vrijheid moeten krijgen een hoofddoek te dragen als ze dat willen, terwijl aan de andere kant 66 procent van de Turken meent dat meisjes die in een minirok willen lopen dat ook moeten mogen. In de Turkse politiek bestaat ook al een ietwat schizofrene situatie: de regerende AK-partij, die in de parlementsverkiezingen in 2002 35 procent van de stemmen verkreeg, staat in de praktijk een `gematigd islamisme' voor, hoewel soms over de rand wordt gegaan, zoals de onbeholpen poging echtbreuk in het wetboek van strafrecht te krijgen laat zien. Dezelfde partij voert bovendien een typisch modern economisch beleid, heeft voor het eerst in decennia de inflatie onder de 10 procent-grens weten te drukken, bestrijdt energiek de corruptie, en heeft de toetreding tot de Europese Unie tot prioriteit nummer één verheven, terwijl een kind kan begrijpen dat aansluiting bij de EU de positie van de islam in de Turkse staat en samenleving niet zal versterken.

In een opinieonderzoek uit 1999 werd gevraagd hoe de respondenten zichzelf identificeerden: 54 procent antwoordde `als Turk' of `als burger van Turkije', tegenover 35 procent die `moslim' antwoordde. De meeste Turken houden zich aan de ramadan, maar de grote meerderheid (67 procent) wenst geen invloed van de godsdienst in de politiek en het openbare leven. Aan de andere kant was 21 procent voorstander van een islamitische staat gebaseerd op de sharia, maar op de vraag of het burgerlijk wetboek daadwerkelijk veranderd moest worden antwoordde maar 10 procent bevestigend.

Kemal Atatürk wilde van Turkije een moderne, seculiere natie maken. Dat is voor een deel gelukt, maar het probleem was dat dit nobele doel alleen met autoritaire middelen bereikt kon worden. Daarvan ondervindt Turkije tot op de dag van vandaag de gevolgen. Er bestaat bijvoorbeeld geen scheiding van kerk en staat. De staat controleert het godsdienstige leven, onder meer door middel van religieus onderwijs en een hechte greep op de imam-opleidingen. Het Turkse islamisme verzet zich daartegen en heeft een hele reeks eigen netwerken en instellingen in het leven geroepen om zich aan het kemalistische keurslijf te onttrekken. De rol van de militairen als waakhond van het kemalisme is ook zo'n relict: in het verleden zijn islamitische partijen ontbonden en politici gevangengezet omdat zij het seculiere karakter van de staat zouden bedreigen. De huidige premier, Recep Tayyip Erdogan, heeft nog enkele maanden in de nor gezeten wegens het voordragen van een `staatsondermijnend' islamitisch gedicht. Dat soort praktijken verschaft de islamisten de comfortabele positie van de underdog, terwijl een verdere democratisering van de Turkse staat hun positie waarschijnlijk eerder zal verzwakken. Ook de verdere modernisering van de economie zal dat doen. De huidige aanhang van de AK-partij is grotendeels te vinden onder de groepen die in de jaren tachtig van het platteland naar de steden trokken. De zonen en dochters van deze migranten groeien nu op in een stedelijke samenleving: het is de vraag hoe hún islam er over tien of twintig jaar uit zal zien.

Die laatste overweging is niet onbelangrijk. Het vooruitzicht van toetreding tot de Europese Unie versterkt nu reeds de democratisch en liberaal gezinde krachten in Turkije. Aansluiting bij de EU zal leiden tot een echte scheiding van kerk en staat, waardoor de islamisten zowel meer als minder ruimte zullen krijgen. Het debat over de toetreding van Turkije zou ook daarover moeten gaan. Een toekomstig democratisch Turkije zou, als lid van de EU, de wereld kunnen laten zien dat islam en democratie wel degelijk kunnen samengaan. Europanen op hun beurt moeten, net als de Amerikanen, leren in geopolitieke termen te denken, en niet alles reduceren tot navelstaarderige beschouwingen over hun eigen identiteit.

Over de identiteit van Europa mag trouwens ook wel iets genuanceerder worden gedacht. De Europese cultuur heeft uit meerdere bronnen geput: de joods-christelijke traditie, de Griekse en Romeinse cultuur, de `Germaanse' invloeden uit het noorden, en ook uit Arabische bronnen. Het is zeker waar dat het christendom tot aan de Verlichting de sterkste culturele stroming was. Maar nu leven we in een post-christelijk, democratisch Europa. Dat schept ruimte voor nieuwe initiatieven. Europa moet haar geschiedenis kennen, maar er niet de gevangene van worden.

Siep Stuurman is hoogleraar Europese Geschiedenis aan de Erasmus Universiteit. Eerdere artikelen in deze serie zijn te vinden op: www.nrc.nl/opinie