Gijzelhouder

Journalisten doen het tegenwoordig wel goed. Althans, rond het drama in Beslan heb ik van hun kant geen gijzelaars zien opduiken waar gijzelnemers of gijzelhouders werden bedoeld. Maar bij het RTL4-journaal hoorde ik een leerling van een basisschool (waar ze een minuut stilte in acht hadden genomen) zeggen dat ze het vreselijk vond ,,hoe de gijzelaars die kinderen hadden behandeld''.

Het is een logische fout, want gijzelaar is een onlogisch woord. Een handelaar is iemand die handelt, een bedelaar bedelt, een beetje huichelaar huichelt, een goochelaar goochelt enzovoorts. Je zou dus verwachten dat een gijzelaar iemand is die gijzelt, maar het omgekeerde is het geval: een gijzelaar wórdt gegijzeld. Gijzelaar is dus (samen met onder meer martelaar) een uitzondering op de regel dat -aar achter de werkwoordsstam betekent: `mannelijk persoon die de genoemde handeling verricht'.

Sinds wanneer vergissen wij ons met gijzelaar? Sinds wij gijzelingen in de huidige vorm kennen, dat wil zeggen, sinds het begin van de jaren zeventig. Daarvóór werd er ook gegijzeld – het woord gijzelaar dateert al uit de vijftiende eeuw – maar toen bedoelde men er iets anders mee. Tot halverwege de twintigste eeuw werd gijzelaar in de woordenboeken gedefinieerd als `iemand die met zijn persoon borg staat voor het vervullen van zekere voorwaarden'. Iemand met schulden kon worden gegijzeld en van oudsher werden in oorlogstijd vooraanstaande personen gegijzeld om te bevorderen dat gemaakte afspraken tussen de krijgspartijen werden nageleefd. Maar hierover werd nauwelijks geschreven.

Zoals gezegd veranderde een en ander in de tweede helft van de vorige eeuw. In januari 1973 gijzelden twee gewapende bankovervallers een boerenfamilie in de gemeente Deil – volgens sommigen de eerste `moderne' gijzeling in Nederland. Najaar 1974 stonden de kranten vol over een gijzeling in Japan. ,,De Japanse voorstelling heeft veel stof tot spreken opgeleverd en het is duidelijk dat het woord gijzelaar daarbij het kernwoord was'', schreef A.J. Verdoorn in 1974 in het tijdschrift Onze Taal. Hij vervolgt: ,,Vele journalisten en reporters ging dat kennelijk zo de keel uithangen dat ze ter afwisseling gegijzelde gingen gebruiken, of gijzelaar in een verkeerde betekenis.'' Verdoorn heeft wel begrip voor deze vergissing: ,,De verwarring is natuurlijk ontstaan omdat we in het Nederlands geen nomen agentis bij gijzelen hebben. Het is een activiteit die in Nederland zo weinig voorkomt dat onze taal kennelijk geen behoefte heeft gehad aan een aanduiding voor de persoon die gijzelt. We zijn geen volk van terroristen.''

Dat zijn we nooit geworden, maar we kregen daarna in zo'n hoog tempo – nationaal en internationaal – met gijzelingen te maken, dat de verwarring over het woord gijzelaar toenam. ,,Wat we eerder voorspeld hadden'', verzuchtte Onze Taal in 1976, ,,is gebeurd: tijdens de laatste gijzelingen is er weer erbarmelijk gemodderd met het woord gijzelaar.'' Het ging in de media zo vaak mis dat het vakblad De journalist nog datzelfde jaar voorstelde om gijzelaar voortaan te gebruiken voor de geweldpleger en gegijzelde voor het slachtoffer. De VARA-radio begon al in 1976 met gijzelhouder en gijzelnemer.

Inmiddels zijn die laatste woorden gemeengoed geworden, maar gijzelaar is in de tussenliggende periode zo vaak gebruikt voor `gijzelnemer', dat dit terecht is gekomen in de meeste woordenboeken. Zo geeft de Grote Van Dale als eerste betekenis bij gijzelaar `iemand die gegijzeld wordt' en als tweede betekenis `terrorist, misdadiger die iemand gijzelt om bepaalde eisen af te dwingen'. Hier zie je: als genoeg mensen iets `fout' doen, dan rekenen de woordenboeken het uiteindelijk vanzelf goed. Maar dit kan ook te snel gebeuren, want inmiddels kijken wij toch vreemd op van deze oude krantenkop: `Gijzelaars krijgen tien jaar gevangenisstraf'.

    • Ewoud Sanders