Roptazeil Koehool

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in Friesland.

De wind draaft op zijn sokken door de klaver die in deze berm Barbie-roze bloeit, rond een witte kern. Dichter naar de horizon wordt alles gepoederd: de boerenbedrijven, het weiland, de ruggen van de paarden en de benen van de schapen, de akkers met bieten of rogge of niets meer of aangenaam stinkende uien onder dorrend loof, en de Harlingse skyline met vaten en schoorstenen en loodsen in gedekte kleuren. Dat doet de zon, de nevel is zijn poederdons. In het ijle blauw hangt ook de schim van de maan, die is vandaag niet van kaas maar van gaas.

We lopen over stille paden van gras en van oud-asfalt (dat is iets heel anders dan asfalt), terwijl we kijken en kijken over het open platte land, want er is van alles te zien. De omtrekken van gewassen en dieren, het grijsgalon van groepjes bomen, dorpen en losse huizen, een pruttelende tractor. En de windmolens met hun flitsende schoepen.

Er zijn hier veel van die molens, hoog hinkelend op hun ene been brengen ze beweging en zoemen ze de blues. Ik zie ze graag. Anderen kunnen daar anders over denken, maar die anderen mogen mij niet verbieden om ze mooi te vinden. De molens beletten een landschap om Pieck-rustiek te worden, en ze slaan een deuk in het bijgeloof dat een uitzicht pas telt als het beweert dat er geen mensen bestaan. Ze wijzen de weg en ze zijn sierlijk en slank, wat uitzonderlijk is voor robots.

Inmiddels poedert de zon niet meer, hij is een witgouden broche geworden, halverwege de boezem van de hemel. Door het stille land glijdt een lint: een indrukwekkende stoet auto's achter een witte lijkwagen. Daar gaat iemand van wie veel gehouden is.

De klaverbloemen zijn nu paars. Ze zijn met heel veel, ze leggen de loper uit. Aan weerszijden van het in het gras uitgesleten spoor dat zich voor mijn schoenen uitrolt, glinstert water. Rechts in een bruine sloot vol riet met ruwkatoenen pluimen, links, achter net zulke pluimen, in een vaart waar toppereenden opklapwieken, starend uit hun oog van blik.

We klimmen op de dijk. De Waddenzee is kabbelglad. Erboven zwenkt een wolk vogels, donkere stippen die, als de wolk keert, soms met zijn allen oplossen. Even houdt het licht ze onzichtbaar, tot ze weer keren en er wel degelijk blijken te zijn, met zijn allen.

15 km. Kaarten 12, 13, 14 uit:

Friese Kustpad. Uitg. Wandel-

platform-LAW,Amersfoort 1998.

Geen openbaar vervoer tussen

begin- en eindpunt (wel tussen

Harlingen en Oosterbierum,

inl. tel 0900 9292 of www.ov9292.nl). Tel. taxi 0517 396000.