Patti Smiths priegeltekeningen

Rauw, robuust en zwartgallig. Zo had ik me de tekeningen van Patti Smith (1946) voorgesteld. Een zangeres die haar punkteksten woedend ten gehore bracht, die op het podium als een man om zich heen spuwde en in haar kruis graaide – van zo iemand verwacht je ook ruig en stevig beeldend werk. Het is dus even schrikken wanneer je op de tentoonstelling Strange Messenger: The Work of Patti Smith in Museum Boijmans geconfronteerd wordt met priegelige tekeningetjes in zoete pastelkleuren.

De tentoonstelling, gemaakt in samenwerking met het Andy Warhol Museum in Pittsburgh, omvat ruim zestig werken op papier en een groot aantal foto's. De vroegste tekeningen, uit de late jaren zestig, ogen kinderlijk en cartoonesk. Smiths voorstellingen worden bevolkt door vierkante klusjesmannen, platgereden honden, mollige Madonna's en jongens en meisjes met uitgelubberde geslachtsdelen, meestal voorzien van grappige commentaren in tekstballonnen. Een eigen stijl heeft ze dan nog niet gevonden. Sommige composities lijken nogal ongecontroleerd, alsof Smith ze met haar ogen dicht getekend heeft, andere zijn juist zeer gedetailleerd – zoals het portret dat ze in 1970 maakte van zichzelf en haar vriend Robert Mapplethorpe op Coney Island.

Het is nauwelijks voor te stellen dat deze zoekende kunstenaar met dat nerveuze handschrift dezelfde Patti Smith is die enkele jaren later, op haar debuutalbum Horses uit 1975, de zelfverzekerde openingszin ,,Jesus died for somebody's sin/ but not mine'' in de microfoon zou grommen.

Smith kwam eind jaren zestig naar New York om schilder te worden. Uit haar vroege werken spreekt een grote bewondering voor kunstenaars als Willem de Kooning, Pablo Picasso en William Blake. Maar het tekenen ging haar niet makkelijk af, zo vertelt ze in de catalogus. ,,Staand voor grote vellen papier aan de muur, gefrustreerd over het beeld, begon ik woorden te tekenen – ritmes die van het papier afliepen en op de muur verder gingen.'' De tekeningen werden gedichten, de gedichten werden later songteksten.

In 1980, na het verschijnen van haar vierde elpee Wave, stopt Smith met muziek maken en verhuist ze naar Detroit om een gezin te stichten met MC5-gitarist Fred `Sonic' Smith. Ook de tentoonstelling maakt hier een grote sprong. Pas in 1997, drie jaar na het overlijden van haar echtgenoot, pakt Smith de draad van haar kunstenaarschap weer op. De tekeningen die ze dan maakt zijn nog ijler van kleur en bestaan vrijwel uitsluitend nog uit tekst.

De handeling van het tekenen noemt Smith een vorm van catharsis, een meditatief ritueel. Als negenjarige kopieerde ze al eens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, op lange rollen papier. Maar in de werken die ze maakte naar aanleiding van de aanslagen op 11 september 2001 in New York, een serie die het hart van de tentoonstelling in Boijmans vormt, neemt het tekenen haast maniakale vormen aan.

Uitgangspunt is steeds een krantenfoto van de ruïne van de South Tower, die als een wankele toren van Babel overeind is blijven staan. Smith zeefdrukte het beeld keer op keer op grote vellen papier, zoals ook Andy Warhol deed met zijn Death and Disaster-serie.

Enkele van die torens zijn van top tot teen bedekt met woorden. Zinnen glijden over de ribben van het karkas, lijken het bouwwerk te willen stutten. Als je goed kijkt, zie je dat het herhalingen zijn van steeds dezelfde regels, uit de koran en uit oud-joodse geschriften. Smith moet er maanden mee bezig zijn geweest.

Deze South Tower-serie steekt met kop en schouders boven de rest van de tentoonstelling uit en bewijst maar weer eens dat goede kunst vaak ontstaat uit onvrede. Haar beste liedjes schreef Patti Smith als verontwaardige twintiger. Haar mooiste tekeningen maakte ze naar aanleiding van een onvoorstelbare ramp.

Tentoonstelling: Patti Smith, Strange Messenger. T/m 21 nov. in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18/20, Rotterdam. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Inl: 010-4419475 of www.boijmans.nl. Catalogus €19,50,-.

    • Sandra Smallenburg