Oeverzwaluw

Wie regelmatig vogelboeken raadpleegt, beseft ineens hoe lang geleden het kan zijn dat sommige vogels werden waargenomen. Ik herinner me in Oost-Nederland de zandafgravingen bij Sibculo, waar in de jaren zeventig kolonies oeverzwaluwen nestelden. Deze kleinste Europese zwaluw (Riparia riparia) meet zo'n twaalf centimeter en heeft bruine bovendelen. Over de witte borst loopt een bruine band, waaraan deze zwaluwsoort makkelijk is te herkennen. De staart is niet of ternauwernood gevorkt. Nog beslissender bij de waarneming is zijn biotoop: in zand- of leemachtige wanden graven ze een tunnel die ongeveer een meter diep reikt. Aan het eind ervan ligt het met gras en veertjes beklede nest. Ze vangen al vliegend insecten uit de lucht, liefst boven het water. Het vliegbeeld is fladderend met losse, wat dwarrelende vleugelslag, begeleid door de kwetterende zang. Met het verdwijnen van duinhellingen en steile afgravingen neemt ook het aantal broedende oeverzwaluwen af. Eens was bijvoorbeeld de oude zeedijk van Minkeszwaal op Texel een uitverkoren `oeverzwaluwenwand'. Nu zijn er nieuwe wanden gemaakt met betonnen wanden en gaten, zoals op Texel, bij het Friese Ureterp en het Lauwersmeer. Een kolonie oeverzwaluwen is een onvergetelijk gezicht: hun levendigheid boven het water en tegen de wand heeft iets tintelends. Ze overwinteren in de Sahel.

Illustratie: Rein Stuurman (Zien is kennen!)

freriks@nrc.nl

    • Kester Freriks