Mijn dokterstas had hij ook meegenomen

`Je kunt geen huisarts worden zonder idealen. Er zitten veel nadelen aan de huisartsgeneeskunde. De risico's die je neemt in het stellen van diagnoses bijvoorbeeld. Het gebrek aan specialistische kennis dat je hebt. Je gebrekkige mogelijkheden. Nee, als je dokter wilt worden, kun je het jezelf makkelijker maken.

Natuurlijk kun je als huisarts ook ambtelijk omgaan met je vak. Je kunt je patiënten protocollair behandelen: vakje invullen, diagnosetje stellen, crèmepje geven. En daar kun je gelukkig mee worden. Het leidt trouwens ook tot tevreden patiënten, want die weten precies wat voor soort dokter ze tegenover zich hebben.

Maar je kunt in dit werk ook je invoelendheid inzetten. Iemand komt voor een ontsteking, maar misschien heeft hij wel een angststoornis of een depressie. Als je daar op gaat letten, kun je dat leren zien.

Ik besteed nu meer tijd aan een patiënt dan toen ik begon. Een werkweek is rustig als hij zestig, vijfenzestig uur telt. Dat komt, ik ben gaan inzien dat je tijd nodig hebt om onder het topje ook de ijsberg te zien. Ik praat met mijn patiënten en ik vraag ze van alles. Ik vraag hoe het met hun vrouw gaat, op het werk, de kinderen. Maar ook of ze nog verdrietig zijn over iets dat ik van ze weet. Of boos.

Veel van die dingen zet ik in de computer. Dus niet alleen de diagnoses, maar ook de dingen waarvan ik denk: die kunnen nog betekenis krijgen. Dingen over hun familieleven. Gebeurtenissen.

En als die persoon hier dan binnenstapt, zweeft alles wat ik van hem weet mee. Dat is het mooiste: dat je niet een patiënt maar een leven binnen ziet komen.

Vaak laat zo iemand ook een nieuwe kant van zichzelf zien. Bijvoorbeeld vanmorgen, toen je bij het spreekuur aanzat: die oudere man die vertelde over zijn ervaringen in de oorlog.

Die man heeft zijn leven lang in een omgeving gezeten waarin je daar niet over praatte. Het is zelf ook een heel gesloten man. Maar een van zijn dochters is een paar jaar geleden overleden en nu is hij breekbaarder geworden.

Dus zei ik vanmorgen: ik zie je tranen. Die zag ik niet, maar toen ik dat zei, werden zijn ogen wel vochtig. Dus zei ik: je bent altijd zo gesloten geweest, zo hard voor jezelf, hoe was de oorlog eigenlijk voor je? En toen vertelde hij dat hij daar de laatste tijd steeds nachtmerries over heeft. Dus ga ik nu proberen hem daarvoor te laten behandelen. Toch waren die angstdromen niet waarvoor hij kwam.

Ik stel grote vragen, ja: ben je gelukkig, is het leven nog de moeite waard, hoe is het met je verdriet? Mensen komen meestal met kleine dingen bij je, maar er komt bijna altijd meer bij kijken. We dragen allemaal een gevoel van onzekerheid met ons mee.

Psychiaters die ik ken zijn wel eens jaloers op mijn positie: ik hoef niet schools door de problemen heen te lopen. Ik kan zulke vragen gewoon stellen. Ik kan ook mezelf tonen: even een hand leggen op de hand van die man met zijn nachtmerries.

Ik kan me ook boos maken, zoals vanmorgen bij die patiënt die nu echt eens moet ophouden met drinken. Die boosheid was niet gespeeld. Ik werd boos omdat ik me betrokken voel. Omdat ik nog weet hoe leuk hij was toen hij niet dronk. En ook omdat ik weet dat het komt door de problemen die hij vroeger had met zijn vader, die hem kleineerde.

Wat ik doe heet gezinsgeneeskunde: opgroeien met een dokter die je gezin van generatie op generatie meemaakt. Die weet waar je vandaan komt, door wie je wordt omringd en wie je daardoor bent. Ik ben er voorstander van dat een huisarts iemand op zo'n manier kan plaatsen. Ik heb ook altijd gedacht dat je verslaafden op deze manier kunt helpen, als ze geen persoonlijkheidsstoornis hebben tenminste.

Maar over de gezinsgeneeskunde hoor je bijna niemand meer. Dat concept is vrijwel verdwenen. Er wordt hooguit nog wat lippendienst aan bewezen.

De brandbom kwam van een verslaafde die kanker had en die eerst niet was komen opdagen voor behandeling. Ik kende zijn familie niet. Hij kwam via het centrum voor alcohol en drugs.

Na verloop van tijd kreeg hij klachten die zouden kunnen passen bij uitzaaiingen in de longen. Ik vroeg een longfoto aan. Maar hij vertrouwde die foto niet. Hij dacht: als zo'n foto van opzij wordt genomen zien ze de andere long niet.

Ik probeerde zo goed mogelijk met hem om te gaan. Ik praatte veel met hem. Over zijn manier van leven ook. Maar hij werd steeds agressiever. Op een gegeven moment kwam hij op het spreekuur met nog iemand bij zich. Het was van: we willen nog een foto – en nu goed.

Hij kreeg nog een foto, maar ook die vertrouwde hij niet. Op een ochtend bedreigde hij me. Daar schrok ik zo van dat ik 's middags de praktijk heb opgeruimd: medicijnen, laptop, ik heb het allemaal weggehaald. Ik dacht dat hij zou inbreken.

De volgende morgen om zeven uur werd ik wakker gebeld: brand. Er was een molotovcocktail door het raam gegooid en de spreekkamer was helemaal uitgebrand.

Ik zei tegen de politie dat ik wist wie het had gedaan en ik noemde zijn naam. De politie wist meteen wie ik bedoelde: oh, die, daar kenden ze naam en voornaam van, ze wisten hoe oud hij was, ze wisten precies wie het was. Het was een beruchte veelpleger.

Tegen mij zeiden ze: het heeft geen zin hem op te pakken. Hij zal het ontkennen en er is geen bewijs. Voor de politie zijn veelplegers een pain in the ass. Hij was al zo vaak opgepakt. Er was geen reden hem voor de zoveelste keer weer op te pakken.

Ik had toen het idee: het ene systeem laat het andere systeem in de steek. Ik probeer iemand te helpen, dat is me niet gelukt, maar als het dan misgaat, doet het andere systeem helemaal niks. Want dat gelooft er al lang niet meer in. Dat zegt: brandstichting is niet te bewijzen, laat maar zitten.

Ik dacht: als ze hem meteen oppakken, vinden ze misschien vingerafdrukken. Of ze vinden sporen van benzine in zijn kleren. Maar volgens de politie had hij dan nog kunnen zeggen: ik heb die brandbom naar binnen gegooid, ja, maar de vlam doofde meteen, dus moet iemand anders het hebben gedaan. Ze dachten ook dat zijn advocaat aan die leugen mee zou werken.

Het is nu twee jaar geleden. Ik heb een paar maanden met pepperspray rondgelopen. Ik keek ook steeds om: misschien is hij ergens. Ik was bang.

En ik vond het ook moeilijker met mijn patiënten om te gaan. Maar dat trok gelukkig bij. Ook dankzij een systeem van intervisie waar ik in zit, dus dat je met een paar collega's bespreekt wat je doet en waarom. Die collega's zeiden tegen mij: kijk uit, word niet cynisch. Maar het was wel moeilijk weer de oude te worden.

En nu is het dus weer misgegaan. Weer een verslaafde. Een verpleegkundige die ik ken zei: probeer het nou met deze man. Zij zag het met hem zitten en ze wilde graag dat ik meehielp. Hij is hier toen eerst een paar keer samen met haar geweest. Daarna heb ik hem ingeschreven in de praktijk. Ik dacht: ik kan het aan.

Twee dagen voordat het gebeurde, zag ik op de stoep voor de praktijk een junk bier zitten drinken. Hij zag hoe ik mijn auto parkeerde, mijn dokterstas pakte en mijn autosleutel in mijn jaszak liet glijden. Ik was me er toen niet van bewust dat hij dat allemaal registreerde. Binnen was mijn nieuwe patiënt bij de assistente aan het zeuren om een uitzonderingsrecept voor heroïne.

Ze hoorden bij elkaar, maar dat wist ik toen nog niet. Ze hebben een paar dagen samen opgelet: wanneer is het druk, wanneer niet, hoe laat is de middagpauze, hoe werkt de deur. De deur zit dicht. Maar als er iemand aanbelt en binnen wordt gelaten, kan er iemand anders meekomen. Dat zie je niet. Ik zit hier in een mooi oud pand, maar zonder camera's, want dat wil de eigenaar niet.

Ze kwamen op een middag toen ik in de kamer hiernaast zat te vergaderen, wat bijna nooit gebeurt. Mijn patiënt ging weer bij de assistente zeuren om heroïne, om de aandacht af te leiden. Zijn maatje ging de praktijk binnen en pakte mijn autosleutel uit de jaszak.

Toen hij bij de auto kwam ging die op alarm, dus er waren buren die opkeken: hé, wat is dat. Hij is toen eerst doorgelopen. Maar de tweede keer lukte het wel. En toen keek niemand, want toen ging er geen alarm af.

Ik ben meteen naar de politie gegaan. Daar deed de computer het niet. De agent zei: komt u maar terug wanneer de computer het weer doet. Ik zei: kan het dan niet met pen en papier. Nee, dat kon niet. Ik zei: maar wat moet ik nou, ik ben mijn auto kwijt, en mijn dokterstas had hij ook meegenomen, en nu moet ik op de fiets visites rijden. Kunt u me niet bellen wanneer de computer het weer doet en nu in elk geval het kenteken opschrijven? Nee, dat had geen zin. De meldkamer kon de melding pas in effect brengen als er proces-verbaal was opgemaakt en dat kon dus niet.

Ik ging huilend naar buiten. Ik voelde me zeer, zeer in de steek gelaten.

Een maand later belde de politie, nu drie weken geleden. Mijn auto was gevonden. In Aken. Vlakbij eigenlijk. Daar stond hij al vanaf de dag dat hij was gestolen. Dus dat was nog een geluk. Ze hadden erin gereden, er wat spullen uit gehaald en wat dingen vernield, maar meer niet.

Het erge was: toen ik bij de politie zei wie het volgens mij had gedaan, gebeurde er weer hetzelfde als bij die brandbom. Ik noemde de naam en de politieagenten op het bureau kenden hem allemaal, met voornaam en geboortedatum en al: een veelpleger. En ze konden weer niks doen.

Ze hebben hem wel even aangehouden. Dat was toen ik hem op een gegeven moment over de brug zag lopen met zijn maatje. Ik belde de politie: ze lopen hier. Toen zijn ze aangehouden. Maar er was geen bewijs: niemand had het gezien. Er was ook niet gezocht naar vingerafdrukken in de auto. Dat is duur, gespecialiseerd werk meneertje, dat doen we zomaar niet.

Het is nu anders dan twee jaar geleden. Het is nu afgelopen, die groep hoef ik nooit meer. Voor mij is het een opluchting. Ik kan het iedereen aanraden. Maar er is nu wel weer een huisarts minder in deze stad die nog verslaafden wil helpen – en ik was al een van de laatsten.

Ik weet niet of er een oplossing is. Ik denk dat je veelplegers wel kunt aanpakken, maar niet zolang het systeem leidt tot lethargie – bij de politie en nu ook bij mij. Ik kan onder deze omstandigheden niet anders dan een bepaalde groep patiënten opgeven.

Ik ga nu ook verhuizen. Ik ga naar een praktijkruimte met camera's. Dat vind ik niet erg hoor. Erg is dat ik idealen ben kwijtgeraakt: bij een groep die ik niet meer wil behandelen, maar ook bij mezelf.

Ik bewaar nu afstand. Ik doe meer volgens het protocol. Niet bij mijn oudste patiënten. Maar wel bij nieuwkomers. Bij een nieuwe patiënt schrijf ik een recept tegen de ontsteking en ik denk: dat kwaaltje gaat wel weer over. Vakjes invullen, diagnosetjes stellen. Zo kan het ook. En dan kan ik weer eens een boek lezen. Of vieren dat ik vandaag vijfentwintig jaar bij mijn vrouw ben.''

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam