Mieren oriënteren zich op verre objecten bij terugvinden van nest

Rondstruinende mieren weten na de vondst van voedsel moeiteloos het nest terug te vinden. Sommige mierensoorten blijken zich op visuele kenmerken in hun omgeving te oriënteren. Afhankelijk van het stadium van hun tocht, kiezen ze hun oriëntatiepunten veraf of juist dichtbij. Dit blijkt uit verplaatsingsexperimenten door mierenoriëntatie-experts Rüdiger Wehner van de Universiteit van Zürich en Tsukasa Fukushi van de Miyagi Universtiteit in Japan.

Buiten, op de Japanse campus, onderzochten ze het gedrag van Japanse bosmieren, Formica japonica (Journal of Experimental Biology, sept). Eerder hadden ze vastgesteld dat deze mieren gepolariseerd licht kunnen onderscheiden iets wat uiteenlopende diersoorten gebruiken voor de navigatie. Maar onduidelijk was nog of bosmieren dit ook deden. Onder gecontroleerde omstandigheden verplaatsten de onderzoekers individuele mieren uit twee groepen. Allereerst pakten zij mieren op die met voedsel wilden terugkeren vanaf een voederapparaat naar het nest, en zetten die een korte afstand verder neer. Mieren die vertrouwen op gepolariseerd licht zouden de oorspronkelijke koers moeten aanhouden, en het nest missen. Maar mieren die zich richten op plaatselijke aanwijzingen zouden voor de verplaatsing moeten kunnen compenseren. De verplaatste mieren deden dat moeiteloos.

Uit analyse van hun route bleek dat de dieren zich niet rechtstreeks op de nestlocatie richten, maar op een omgevingskenmerk: een punt tussen twee duidelijk aan de mier haar horizon zichtbare kruinen van kastanjebomen, op flinke afstand. Bij dieren die werden verplaatst bij de aanvang van de tocht naar de voedselplek bleek iets vergelijkbaars: die richtten zich vooral op de contrastrijke pilaren van de façade van een achterliggend universiteitsgebouw.

Voor de volledigheid richtten de onderzoekers zich ook op mieren die niet net vertrokken, maar zojuist waren aangekomen op hun plaats van bestemming; ofwel het voedselapparaat, ofwel het nest. Eigenaardig genoeg raakten die wèl gedesoriënteerd. Na hun verplaatsing hobbelden ze rond in wisselende richtingen, klaarblijkelijk aarzelend. Gaandeweg wisten ze alsnog hun doel te vinden. Zij bleken te kijken naar heel plaatselijke, nabije omgevingskenmerken en kleine objecten. In die visuele `stand' stonden ze blijkbaar bij het al bijna bereikt hebben van hun doel vóór de experimentele ingreep de omschakeling naar oriëntatie over grote afstand is niet eenvoudig.

Voor de onderzoekers was het verrassend dat geen van de geteste mieren, met uiteenlopende status van hun onderbroken reis, zich richtte op de waarneming van gepolariseerd licht. Mogelijk gebruiken ze dat vermogen voor verkenningstochten zonder bekend doel.

http://www.city.nagoya.jp/