Justitie mag terrorist al vroeg op hielen zitten

De drempel van bijzondere opsporingactiviteiten om terreur te voorkomen, moet worden verlaagd. De regie komt bij minister Donner.

Gerichte opsporing en vervolging zijn ontoereikend voor de bestrijding van terreurdaden. Waar het strafrecht in zijn klassieke vorm dient als reactie op gepleegde delicten, schiet het tekort bij terreurbestrijding. Daar moet het accent liggen op het voorkomen van aanslagen of de voorbereiding ervan. Daarom moeten opsporingsdiensten ingrijpender bevoegdheden en opsporingstechnieken inzetten om in een vroeg stadium te kunnen ingrijpen, ook als er tegen personen geen concrete aanwijzing van gepleegde strafbare feiten zijn. `Verstoringsacties', noemt de nationaal coördinator terrorismebestrijding, Tjibbe Joustra, dat in een notitie over terrorismebestrijding waar het kabinet gisteren mee instemde. Dat betekent het tijdig onderkennen en verstoren van voorbereidingen van aanslagen en het vroegtijdig observeren en oppakken van personen die daarbij betrokken zijn.

Die strategie van verstoringsacties moet het ook mogelijk maken iemand dusdanig hinderlijk te volgen, dat hij `onmogelijk' wordt in het terroristische circuit. Door hem te observeren en te volgen, laten voelen dat de overheid hem voortdurend op de hielen zit, moet hij in dat circuit volstrekt onbruikbaar worden. Het zijn opsporingstechnieken die niet horen tot het klassieke model van het strafrecht en Joustra erkent dat ook in zijn notitie. ,,Het strafrecht wordt hierbij toegepast op situaties en activiteiten die in tal van opzichten [..] lijken op een oorlogssituatie [..].''

Afgelopen juli, aan de vooravond van een vergadering van de Europese ministers van Justitie in Brussel, gaf minister Donner al aan dat om terrorisme aan te pakken, niet het hele strafrecht op de schop hoeft. ,,De Wet terroristische misdrijven is een enclave in het strafrecht waarin je anders kunt opereren dan in het normale strafrecht.'' De notitie van Joustra is daar een uitwerking van. Want juist door de verruiming van de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen van terreurdaden, het strafbaar stellen van samenspanning tot terroristische misdrijven en van rekrutering voor de gewelddadige jihad, is het ook mogelijk om vroegtijdig in te grijpen.

De actuele situatie maakt dat ook noodzakelijk, zo wordt in de notitie gesteld. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat terroristen Nederland `op de korrel' hebben. De AIVD en andere inlichtingendiensten hebben aanwijzingen dat in Nederland personen actief zijn die objecten en terreinen in kaart hebben gebracht ter voorbereiding van aanslagen.

Maar de klassieke opsporingstechnieken voldoen niet. Vandaar dat in de notitie wordt voorgesteld de bevoegdheden voor observatie, infiltratie en aftappen uit te breiden. Het Wetboek van Strafvordering biedt al mogelijkheden om dergelijke voorbereidingen in kaart te brengen met een `verkennend onderzoek'. Daarmee kunnen bijvoorbeeld onderdelen van de Wet bescherming persoonsgegevens buitenspel worden gezet en heeft justitie de mogelijkheid om persoonsgegevens in databestanden op te vragen en aan elkaar te koppelen. Het kabinet wil die bevoegdheden verruimen bij vermoedens van terrorisme. Dan kunnen ook bijvoorbeeld persoonsgegevens van particuliere bedrijven worden opgevraagd en met andere bestanden vergeleken. Verruiming van de mogelijkheden van preventief fouilleren, langer vasthouden van verdachten, afluisteren van telefoons en infiltratie passen ook in dat kader. Als het maar het doel heeft aanslagen te voorkomen, wordt telkens in de notitie herhaald.

Ook moet de organisatie van het opsporingsbestel op de schop en, waar het gaat om het voorkomen, vervolgen en berechten van terrorisme, onder eindverantwoordelijkheid gebracht worden van de minister van Justitie. Momenteel zijn twintig overheidsinstanties direct of indirect betrokken bij terrorismebestrijding, verdeeld over de departementen Justitie, Binnenlandse Zaken, Defensie, Financiën en Volksgezondheid. Elke minister behoudt zijn verantwoordelijkheid en over en weer worden de bestaande gezagslijnen en procedures gerespecteerd, zo heeft het kabinet afgesproken. Maar in bedreigende situaties, als overleg niet meer mogelijk is, wordt Donner de superminister met directe zeggenschap over de inzet van andere departementen.

Die bevoegdheid zal bij wet geregeld worden, zo is in het kabinet afgesproken. Zolang die wet er niet is, wordt dat geregeld bij Koninklijk Besluit. Want de acute dreiging maakt adequate bestuurlijke doorzettingsmacht, zoals dat in de notitie heet, per direct nodig.

    • Jos Verlaan