Hoogtij der middeleeuwen

Vandaag is het Monumentendag. Pieter Steinz gaat terug in de tijd en wijdt deel 31 van zijn serie over literaire thema's aan de Middeleeuwen in het algemeen en aan Hesse's Narziss und Goldmund in het bijzonder.

Literaire fictie over de Middeleeuwen is er in het voorbije millennium altijd geweest, zelfs voordat de term medium aevum in zwang kwam om de tijd tussen Oudheid en Renaissance aan te duiden. Een van de eerste grote werken over een middeleeuwse held is het Chanson de Roland (elfde eeuw), waarin de daden van een ridder van Karel de Grote werden beschreven. Rond 1200 kwamen, in navolging van Chrétien de Troyes, de epen over Koning Arthur in de mode. En in 1321 publiceerde Dante zijn Divina Commedia, volgens velen de mooiste samenvatting van het middeleeuwse wereldbeeld – met gastrolletjes voor historische figuren als Attila de Hun (in de Hel), de Franse koning Hugo Capet (op de Louteringsberg) en de filosoof Thomas van Aquino (in het Paradijs).

Je kunt Cervantes' Don Quichot (1605) beschouwen als de eerste roman met een belangrijke rol voor de Middeleeuwen, zij het in de vorm van de geïdealiseerde riddertijd waarnaar de titelheld hunkert. Maar pas twee eeuwen later, in de Romantiek, werd de periode tussen 500 en 1500 echt een populair decor voor prozaschrijvers. De pionier was Walter Scott, de grondlegger van de historische roman die zich vanaf 1819 (Ivanhoe) liet inspireren door het tijdperk van de Kruistochten. Zijn invloed (in Nederland onder meer op Jacob van Lennep en A.L.G. Bosboom Toussaint) was gigantisch – groter zelfs dan die van Umberto Eco, die anderhalve eeuw later met De naam van de roos de heraut werd van de Nieuwe Historische Roman, met zijn vermenging van genres en verwijzingen naar de wereldliteratuur.

In Narziss und Goldmund van de in Duitsland geboren Hermann Hesse (1877-1962) is zowel de brave romantiek van Scott als het trendy modernisme van Eco ver te zoeken. Hij gebruikt de Middeleeuwen onnadrukkelijk als de achtergrond voor zijn verhaal over twee vrienden met verschillende naturen: de denker Narziss, die carrière maakt in een klooster in het Zwarte Woud, en de zwerver-kunstenaar Goldmund, die het klooster ontvlucht en het leven ontdekt, inclusief liefde, seks, verraad en dood. In de Middeleeuwen van Hesse herkennen we 's levens felheid die Johan Huizinga had geschetst in zijn elf jaar eerder verschenen geschiedwerk Herfsttij der Middeleeuwen: gloeiende hartstocht, meedogenloze rampen en gebrek, allesoverheersende religie, excessief geweld en dito straffen. Aanvankelijk voelt Goldmund zich dan ook `in een wereld zonder begrip of vriendschap, alleen temidden van koele ironische sterren, temidden van vraatzuchtige dieren'.

De flierefluitende Goldmund is de eigenlijke hoofdpersoon van Hesse's roman; zijn loutering wordt gecontrasteerd met het gelijkmatige leven van Narziss, die als zelfverklaard `mens van de geest' beseft dat hij niet `in de volheid' leeft. Maar ook Goldmund heeft het niet makkelijk. Óf je leeft intens en geniet volop, meent hij, en dan is vergankelijkheid je lot; óf je sluit jezelf op in een werkplaats en verzaakt het leven. `Ach, en dit leven had toch alleen zin als je erin slaagde om beide dingen te bereiken, als het niet gespleten bleef door dat zinloze of-of. Creatief zijn, zonder daarvoor met het leven te hoeven betalen. Leven, zonder daarom afstand te doen van de adel van de creativiteit.'

Aan het eind van zijn leven keert Goldmund in het klooster terug; hij heeft als gezel van een beeldhouwer zijn meesterstuk gemaakt, is daarna weer teruggekeerd naar de wijde wereld, moest door Narziss van de galg worden gered, en weet op zijn sterfbed nog niet of hij het juiste leven heeft geleid. Narziss troost hem, door te zeggen dat `alle mensen van goede wil' één ding gemeen hebben, `namelijk dat alles wat wij doen ons teleurstelt, dat wij altijd weer van voren af aan moeten beginnen, dat het offer keer op keer opnieuw gebracht moet worden.' Het is een mooi slot van een filosofische roman die de humanistisch ingestelde leden van de Zweedse Academie zeer moet hebben aangesproken. Zij gaven Hesse in 1946 de Nobelprijs voor literatuur – al was dat misschien ook omdat de naar Zwitserland geëmigreerde schrijver zich in Narziss und Goldmund (anno 1930!) al fel had uitgesproken tegen de jodenvervolgingen die in de Middeleeuwen schering en inslag waren.

Reacties: steinz@nrc.nl

Hermann Hesse:

`Narziss en Goldmund' (vert. Pé Hawinkels, uitg. Atlas –

De Twintigste Eeuw).

Volgende week in

`Lees mee met NRC': geld. Besproken boek:

`Bel-Ami' van Guy de Maupassant.

    • Pieter Steinz