Hollandse Mandela's

Aandacht als levensvoorwaarde –

De Telegraaf berichtte vorige week over een onbekende Nederlander die een levensgroot standbeeld voor zichzelf had opgericht. Hoewel hij als twee druppels water op zijn zelfgemaakte beeld leek, ontkende hij tegenover de krant stellig dat hij het was. Hij had geen monument voor zichzelf opgericht, verklaarde hij, maar juist voor alle mensen in Nederland voor wie nooit een standbeeld gemaakt zou worden, al die landgenoten die nooit het gesprek van de dag zouden zijn. Hij wilde er een mooi plaatsje voor zoeken, een groot plein of park, waar iedere jammerlijk niet-publieke voorbijganger er in het voorbijgaan zijn hart aan zou kunnen ophalen. Het liefst had hij zichzelf meteen op de Dam neergezet, maar hij bracht het als zuiver idealisme.

Diezelfde week mocht cabaretier Freek de Jonge op televisie vertellen over de grootste mislukking uit zijn carrière, het moment waarop hij het naar eigen zeggen op een verschrikkelijke manier had laten afweten. Eind 2002 had hij een Oudejaarsconference gegeven – en in plaats van zich tot een radeloze natie te richten als een Mandela of een Martin Luther King, had hij gewoon wat vrijblijvende grappen staan debiteren. Heel het land had gesmacht naar verlossing, en Freek had die verlosser kunnen zijn. Die conference – het had Mozes moeten zijn, het werd Snip en Snap.

Freek de Jonge als Mandela – dat in Nederland alles persoonlijk geworden is, wisten we. Je zet de televisie aan en je belandt in een diepgevoeld relaas over een ziekte of sterfgeval, een langdurige depressie of leven met een handicap. Maar alleen het persoonlijke voldoet niet langer. Het persoonlijke moet nu ook betekenis krijgen in de grote wereld; je leven krijgt pas betekenis als je de mensheid tot voorbeeld kunt dienen. Een land waarin nauwelijks meer onderscheid wordt gemaakt tussen het persoonlijke en het publieke, schept een ideaal klimaat voor zelfbenoemde profeten. Maar de concurrentie is groot, iedereen wil de verlosser zijn. Dominee zijn is niet langer genoeg. De Messias – voor minder doe je het niet. Dat begreep Freek de Jonge te laat.

Die vermenging van het persoonlijke met de publieke zaak zie je in de media op twee manieren terug. Aan de ene kant krijg je politici van het type Fortuyn, die zich met heel hun persoonlijkheid als idool presenteren. Hun persoonlijkheid, eindeloos belicht in alle mogelijke media, vormt de opmaat voor hun dadendrang. Hun aanwezigheid staat of valt met aandacht van de media. Tegelijkertijd moeten mensen die maatschappelijk aan de weg timmeren, persoonlijk gemaakt worden. Misselijk word je inmiddels wanneer je in een gevoelig televisieportret of vraaggesprek de zoveelste Hollandse topmanager over de liefde voor zijn vrouw of kinderen of kunstverzameling ziet babbelen, de zelfgenoegzame eerlijkheid waarmee hij erkent dat geld niet alles is en toegeeft ook echt heus wel fouten te hebben gemaakt – in een heel ver verleden weliswaar, maar het was toch een diep dal. Sjoerd Kooistra mag dan een gewetenloze horecabaas lijken, die in heel Nederland gerenommeerde zaken naar God helpt om zich aan de faillissementen te verrijken, een half uurtje bij Fons de Poel op schoot vertellen over een vroeg gestorven grote liefde, en de kijker ziet ineens overal verzachtende omstandigheden.

Er zijn sociologen die de cultus van het persoonlijke huldigen. De vereenzelviging van het publiek met een mediaster leidt vanzelf tot een verdere vereenzelviging met hun ideeën of de zaak waar ze voor staan. Botte macho's leren door het wufte gedrag van hun voetbalidool Beckham hun vrouwelijke kant ontdekken. Door het optreden van Ayaan rukken islamitische meisjes eindelijk die vervloekte sluier af.

Voor de pleitbezorgers van de sterrencultuur was Fortuyn geen hopeloze ontsporing maar een nieuwe dageraad. Dit nieuwe soort politicus moet het niet langer van een verouderde partijpolitiek hebben, hij opereert per definitie buiten de enge marges van de traditionele Haagse cultuur. IJdel en narcistisch? Doet er niet toe – dat zijn we immers allemaal. Wie niets te vertellen heeft, valt vanzelf wel door de mand.

Het klinkt goed, maar het is onzin. Keer op keer wordt nu vastgesteld dat de media en de rest van Nederland zich de afgelopen jaren steeds weer druk hebben gemaakt over niets. Talloos zijn de affaires die op het moment zelf vol betekenis leken – en toen ineens helemaal niet meer. De affaire Margarita, de affaire Lubbers, de affaire Oudkerk, de affaires van de LPF, en nu de affaire Wilders; het ging nergens over en gaat nergens over, maar op het moment zelf loopt iedereen te hoop. Waarom? Omdat het om persoonlijke affaires gaat met de schijn van een publiek belang, en dat zijn de enige affaires waar men zich in Nederland nog druk over kan maken. Daarom zijn we zo gek op parlementaire enquêtes; de enige manier waarop van abstract wanbestuur nog wat persoonlijk drama gemaakt kan worden.

Het effect van die verslaving aan het persoonlijke is dat over de zaak zelf nooit meer wordt gesproken. Die dient alleen als excuus voor roddelzucht. Wat is eigenlijk het verschil tussen de gestolen tas van Margarita, waaraan Nova nog een halve uitzending besteedde, het filmpje van Ayaan en het tienpuntenplan van Geert? Volgens de overtuiging van de sociologen zou onze belangstelling voor deze fenomenen vanzelf naar de achterliggende kwesties moeten leiden: via het persoonlijke naar het publieke.

Maar de werkelijkheid is anders: het persoonlijke voedt zich met het publieke. De controverses gaan altijd over personen. Iemand is voor of tegen, deugt of deugt niet, is slachtoffer of juist dader, moet zijn zetel opgeven of juist niet – weer een Nova-uitzending gevuld. De rest van de wereld doet er niet meer toe.

Misschien moet je mild zijn. De illusie van Nederland als een oase van betekenisloosheid is wreed verstoord. Heel de wereld dringt zich dreigend aan ons op. Hoe moeten we reageren? Bij het ontbreken van iedere dragende visie of houding (een tienpuntenplan!) klampen we ons in onmacht vast aan wat herkenbaar is, aan die kleurrijke persoonlijkheden die zich als Hollandse Mandela's opwerpen – en dan hoeven we het verder alleen nog maar over hen te hebben. Liever de eigenwaan van het dorpsplein, vol standbeelden, dan het onvoorspelbare onder ogen zien.

    • Bas Heijne