Het Westen wordt gehaat louter omdat het bestaat

Anders dan de `klassieke' terreur – zoals die van de ETA tegenwoordig – hebben de jihadstrijders rationele doelen zoals politieke onafhankelijkheid sinds lang achter zich gelaten. Zij jagen doelen na waarover niet te praten valt: weg met de Russen uit de hele noordelijke Kaukasus, weg met de joden uit Israël, weg met de Amerikanen uit het Midden-Oosten.

Meteen na het bloedbad in Beslan heeft bondskanselier Schröder zijn Russische vriend troostrijke signalen gegeven. Enerzijds wil hij ,,in deze situatie geen adviezen geven'', anderzijds mag men met ,,terroristen die kinderen in de rug schieten niet praten''. Daar heeft hij gelijk in, maar hoe lang zal deze stelregel nog gelden?

De westerse reacties op zulke gruweldaden volgen altijd hetzelfde patroon. Eerst alom schrik, medelijden en scherpe veroordeling, en dan volgt een verklaring volgens een klassiek stramien (`de Kaukasische vicieuze cirkel'), waarbij zoetjesaan de schuld wordt verlegd: hebben de Russen in Tsjetsjenië niet verschrikkelijk huisgehouden, hebben zij niet al anderhalve eeuw lang de Kaukasus onderdrukt? Zulke, op zich juiste, vragen vloeien ongewild samen tot de verkeerde vraag: zijn niet ook de slachtoffers van het geweld schuldig aan hun lot?

Als de Spanjaarden niet hadden deelgenomen aan de oorlog in Irak, dan zou hun 11 maart (met 200 doden) bespaard zijn gebleven. Zonder het wereldwijde kapitalisme made in USA zouden de glazen symbolen daarvan – de Twin Towers – nog overeind staan. En zonder Sharonisme geen aan flarden geblazen bussen in Beersheva. Het terrorisme zou de schreeuw van de gekwelde slachtoffers zijn, het `wapen van de zwakken', die zich anders geen gehoor kunnen verschaffen.

Dat is de theorie van de `wortels van de terreur', die overtuigend klinkt, maar moreel en politiek tekortschiet. Om met de moraal te beginnen: wat hebben Noord-Ossetische kinderen te maken met het onrecht dat Tsjetsjenen ondergaan? Waarom moeten zij boeten voor de Russische wals van vuur in Grozny?

Wat geeft de `zwakken' (die uitstekend bewapend zijn) het recht de werkelijk zwakken, de kinderen, te vermoorden? Weerlozen en onschuldigen afslachten is in iedere cultuur de meest verachtelijke misdaad. In eigen land zou niemand, ook geen moslim, het vermeende akelige lot van de massamoordenaars als verklaring accepteren. Wie zich op dat glibberige, hellende vlak begeeft, glijdt onherroepelijk af naar de wanmoraal waarvoor alleen het eigen leed telt en dus alles is geoorloofd.

De middelen van de islamistische terreur – de pure verschrikking, die zich bijna nooit tegen vertegenwoordigers van de overheid of tegen soldaten richt – vergiftigen ook het meest verheven doel; dat is het uitgangspunt voor ieder moreel oordeel. Maar ook de doelen die wij maar al te vaak zonder meer als gerechtvaardigd beschouwen, werpen vragen op. Wie mag eigenlijk tegen de overheid de wapens opnemen? De Tsjetsjenen wel en de Basken niet? Hebben de Palestijnen wél gelijk, maar de Koerden niet?

Maar laten wij ons liever afvragen of over de doelen van de islamistische terreur überhaupt te praten valt. Om een ogenschijnlijk duidelijk geval te nemen: het bloedbad in Madrid, bedoeld om de Spanjaarden uit de Irak-coalitie te breken. Lawrence Wright heeft hierover in zijn artikel The terror web in de New Yorker dingen aan het licht gebracht die tot nadenken stemmen. De planning voor de aanslag op Atocha was twee jaar vóór 11/9 begonnen, toen aan Spaanse militairen in Irak in de verste verte niet gedacht werd. Het kan nog erger: twee weken na 11 maart werd op het spoor van de hogesnelheidstrein AVE twaalf kilo kneedbare explosieven gevonden, met een verkeerd aangesloten ontsteking. Waarom zou je 1200 mensen de dood in willen jagen, als Madrid al besloten had zich terug te trekken? Omdat het niet om appeasement gaat, maar om El Andaluz, dat acht eeuwen lang in islamitische handen is geweest, en dat thans zo goed mogelijk probeert de hervormingsbeweging in de Maghreb te stimuleren en een brug tussen Oost en West te slaan.

Daarbij sluit ook een terreurdreiging tegen Amerika aan, die door een tak van Al-Qaeda aan de Londense krant Al-Kuds al-Arabi werd toegestuurd. De groep, die de aanslag in Madrid opeiste, zou ,,erop gebrand zijn dat Bush de verkiezingen niet verliest''. Diens ,,idioterie en religieus fanatisme'' waren immers heel nuttig, omdat ze de hele islamitische wereld tegen het Westen ophitsten.

Wie doet en praat als Bin Laden en zijn makkers, is niet uit op toenadering of sussen, maar op de `botsing der beschavingen'. De Palestijnse terreur volgt hetzelfde patroon. Wil Sharon Gaza vrijgeven? Dan worden in het tot dusverre vredige Beersheva twee bussen opgeblazen, om Israëls extremisten tegen de premier op te zetten. Zo is het ook gegaan bij de golven van terreur die Netanyahu en Sharon aan de macht hebben gebombardeerd.

Anders dan de `klassieke' terreur – zoals die van de ETA tegenwoordig of de vroege IRA van 1916 – hebben de jihadstrijders rationele doelen zoals politieke onafhankelijkheid sinds lang achter zich gelaten. Wanneer zij niet dromen van de wereldbrand, van de definitieve overwinning op de ongelovigen, jagen zij doelen na waarover niet te praten valt: weg met de Russen uit de hele noordelijke Kaukasus, weg met de joden uit Israël, weg met de Amerikanen uit het Midden-Oosten. En geen genade voor `brugstaten' zoals Spanje en Turkije.

Op de totale doelstellingen volgen totale middelen. De ETA en de IRA hebben (bijna) altijd plaats en doel van hun aanslagen bekendgemaakt – de tijden zijn voorbij dat de Britse premier Asquith van de IRA zei dat deze ,,met grote menselijkheid en niet met gruweldaden'' streed. Zou de nieuwe terrorist ooit kern- of biologische wapens te pakken krijgen, dan zal hij die in zijn grenzeloze eigendunk inzetten ook.

De nieuwe terrorist is bijna nooit alleen maar een vrijheidsstrijder in wie een staatsman sluimert. Staten die door terreur ontstaan, ontwikkelen zich niet tot vriendelijke leden van de wereldgemeenschap – denk aan Lenins Sovjet-Unie, Algerije (nog altijd een door geweld getekend land) en het Zimbabwe van Robert Mugabe. Want wie terreur tegen anderen inzet, zal dit middel ook tegen zijn eigen mensen gebruiken. Een tegenvoorbeeld is India, een democratie die niet met alle mogelijke middelen voor zijn onafhankelijkheid heeft gestreden.

Wat daaruit volgt? Wij hebben te maken met een genadeloze tegenstander, die lichtjaren afstaat van de klassieke vrijheidsstrijder. Zijn vijanden zijn niet alleen maar de regeringen die hem weigeren wat hij als zijn heilig recht ziet, maar onschuldigen in de hele wereld en iedereen in zijn eigen kamp die tot inschikkelijkheid neigt. Hij wil ons terugbombarderen naar de eeuw van de Dertigjarige Oorlog, toen niemand – boer, burger of soldaat – zijn leven zeker was. Of naar de twintigste eeuw, toen de totalitairen iedereen probeerden te vernietigen die zich niet aan hen onderwierp. Deze constatering is geen vrijbrief voor de Poetins en de Sharons – en hun Aziatische, Arabische en Afrikaanse collega's – die per slot van rekening, door anderen legitieme rechten te onthouden, hun eigen volkeren schaden.

Maar wij mogen niet vergeten dat het niet meer alleen gaat om Gaza of Grozny, maar om Nairobi, Aden, New York, Washington, Djerba, Karachi, Riad, Jakarta, Istanbul, Madrid, Kirkuk en Beslan.

Is Londen nu aan de beurt, of zelfs Berlijn? De internationale van de terreur, dit nihilistische verbond van niet-gouvernementele organisaties, kan alleen maar overwonnen worden door de internationale van staten, mét alle kwellende morele dilemma's die de verdediging met zich meebrengt.

Mogen democraten gemene zaak maken met een potentaat als Poetin? Als dat neerkomt op kiezen tussen Bin Laden of Poetin, is de keus niet moeilijk. Daarbij moeten wij onze eigen daden aan de scherpste morele controle onderwerpen. Maar laten wij ons niets wijsmaken: de overzoenlijke haat van de terreur is niet gericht op wat het Westen doet, maar op het feit dat het louter bestaat.

Uitgever/hoofdredacteur van Die Zeit. Hij is een van de bekendste commentatoren in Duitsland. Hij schreef o.a. The Future of International Politics: The Great Powers (1998).

    • Josef Joffe